Toelatingsnummer 13292 N

Bifipro  

 

13292 N

 

 

 

 

 

 

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN

GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN

 

1 TOELATING

 

Gelet op de aanvraag d.d. 15 augustus 2007 (20070868 TB) van

 

Holland Watertechnology BV

Postbus 189

3940 AD Doorn

 

 

 

tot verkrijging van een toelating op basis van de werkzame stoffen koper en zilver,

 

Bifipro

 

gelet op artikel 121, eerste lid, jo. artikel 44, eerste lid, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,

 

BESLUIT HET COLLEGE als volgt:

 

1.1  Toelating

1.      Het middel Bifipro is toegelaten voor de in bijlage I genoemde toepassingen onder nummer 13292 N met ingang van datum dezes. Voor de gronden van dit besluit wordt verwezen naar bijlage II bij dit besluit.

2.      De toelating geldt tot 1 februari 2020.

 

1.2a  Samenstelling, vorm en verpakking

De toelating geldt uitsluitend voor het middel in de samenstelling, vorm en de verpakking als waarvoor de toelating is verleend.

 

1.2b Overige voorwaarden

De BIFIPRO® elektroden en bijbehorende apparatuur dienen te voldoen aan alle voorwaarden en eisen, zoals opgenomen in BRL K14010-2/01 (Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa-attest met productcertificaat voor legionellapreventie met alternatieve technieken, deel 2: elektrochemische technieken: koper-/zilverionisatie en anodische oxidatie).

 

 

1.3  Gebruik

Het middel mag slechts worden gebruikt met inachtneming van hetgeen in bijlage I onder A bij dit besluit is voorgeschreven.

 

1.4 Classificatie en etikettering

 

Gelet op artikel 50, eerste lid, sub d, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,

 

1.    De aanduidingen, welke ingevolge artikelen 9.2.3.1 en 9.2.3.2 van de Wet milieubeheer en artikelen 14, 15a, 15b, 15c en 15d van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten op de verpakking moeten worden vermeld, worden hierbij vastgesteld als volgt:

 

aard van het preparaat: één koperelektrode en één zilverelektrode

 

werkzame stof:

gehalte:

koper

 Metaal in vaste vorm (99,9%)

zilver

 Metaal in vaste vorm (99,99%)

 

 

 

letterlijk en zonder enige aanvulling:

 

andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stof(fen):  

-

 

gevaarsymbool:-

aanduiding:-

 

 

Specifieke vermeldingen:

 

DPD14            -Inlichtingenblad aangaande de veiligheid is voor de professionele gebruiker op aanvraag verkrijgbaar.

 

 

1)    Behalve de onder 1. bedoelde en de overige bij de Wet Milieugevaarlijke Stoffen en Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten voorge­schreven aanduidingen en vermeldingen moeten op de verpakking voorkomen:

 

§         letterlijk en zonder enige aanvulling:
het wettelijk gebruiksvoorschrift
De tekst van het wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen in Bijlage I, onder A.

 

§         hetzij letterlijk, hetzij naar zakelijke inhoud:
de gebruiksaanwijzing
De tekst van de gebruiksaanwijzing is opgenomen in Bijlage I, onder B.
De tekst mag worden aangevuld met technische aanwijzingen voor een goede bestrijding mits deze niet met die tekst in strijd zijn
.

 

 - 

 


2 DETAILS VAN DE AANVRAAG

 

2.1 Aanvraag

Het betreft een aanvraag tot verkrijging van een toelating van het middel Bifipro (13292 N), een middel op basis van de werkzame stof  koper en zilver. Het middel wordt aangevraagd ter bestrijding van de Legionella bacterie en biofilm in waterleiding systemen voor drinkwater in prioritaire instellingen (volgens artikel 17i van het Waterleidingbesluit) en in koelwater in natte koeltorens (tot maximum capaciteit van 4MW) met emissie naar de RWZI.

 

Aangezien Bifipro een voor Nederland nieuwe werkzame stof bevat (zie hieronder), is de zienswijzenprocedure zoals bedoeld in artikel 2:3 Besluit bestuursreglement regeling toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden Ctgb 2007 toegepast. Er zijn geen zienswijzen ontvangen binnen de daarvoor gestelde termijn.

 

2.2 Informatie met betrekking tot de stof

De werkzame stof  koper en zilver betreft een nieuwe stof. Er zijn in Nederland nog geen andere middelen op basis van deze werkzame stof toegelaten.

De werkzame stof koper is genotificeerd in het kader van de biociderichtlijn 98/8/EG voor productsoort 5 en 11 en wordt door Frankrijk (FR) beoordeeld. Er is geen concept van de Europese beoordeling beschikbaar.

De werkzame stof zilver is genotificeerd in het kader van de biociderichtlijn 98/8/EG voor productsoort 5 en 11 en wordt door Zweden (SE) beoordeeld. Er is geen concept van de Europese beoordeling beschikbaar.

Er is nog geen besluit genomen tot plaatsing van de werkzame stoffen op bijlage 1, 1A of 1B van de biociderichtlijn 98/8/EG.

 

2.3 Karakterisering van het middel

Het middel Bifipro bestaat uit koper/zilverelektroden welke worden gebruikt in koper-/zilverionisatie apparatuur van het merk Bifipro.

De koper/zilverelektroden zijn precursors, de koper- en zilverionen gevormd door ionisatie van koper en zilver zijn de werkzame stoffen.

De koper- en zilverionen hechten zich, door elektrostatische banden, aan de geladen plekken van de bacteriële celwand. De wand wordt daardoor verzwakt en de zilverionen dringen de cel binnen, waar ze het DNA, RNA, enzymen en de aanwezige eiwitketens aantasten. Door dit proces wordt de reproductie van de bacterie gestopt.

 

2.4 Voorgeschiedenis

De aanvraag is op 15 augustus 2007 ontvangen; op 27 augustus 2007 zijn de verschuldigde aanvraagkosten ontvangen. Bij brief d.d. 11 januari 2010 is de aanvraag in behandeling genomen.

 

2.5  Eindconclusie

Bij gebruik volgens het Wettelijk Gebruiksvoorschrift/Gebruiksaanwijzing is het middel Bifipro op basis van de werkzame stoffen koper en zilver voldoende werkzaam en heeft het geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van de mens en het milieu (artikel 28, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden).

 

 

 


Degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken kan gelet op artikel 119, eerste lid, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt een bezwaarschrift indienen bij: het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), Postbus 217, 6700 AE WAGENINGEN. Het Ctgb heeft niet de mogelijkheid van het elektronisch indienen van een bezwaarschrift opengesteld.

 

 

Wageningen, 26 februari 2010

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN  GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN  BIOCIDEN,





dr. D. K. J. Tommel

voorzitter

 

 



HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN

 

BIJLAGE I bij het besluit d.d. 26 februari 2010 tot toelating van het middel Bifipro, toelatingnummer 13292 N

 

 

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

 

Toegestaan is uitsluitend het gebruik van de elektroden (BIFIPRO®, bestaande uit zuiver koper (>99,9%) en zilver(>99,99%) in apparatuur voor koper-/zilverionisatie van het merk BIFIPRO®, ter bestrijding van de Legionella bacterie en biofilm in waterleiding systemen voor drinkwater in prioritaire instellingen (volgens artikel 17i van het Waterleidingbesluit) en in koelwater in natte koeltorens (tot maximum capaciteit van 4MW) met emissie naar de RWZI.

 

De BIFIPRO® elektroden en bijbehorende apparatuur mogen uitsluitend geplaatst en onderhouden worden door installateurs die bekend zijn met deze apparatuur (de leverancier of een installateur die door de leverancier is aangewezen).

 

Voor toepassing in waterleidingsystemen voor drinkwater geldt:

·           Koper-/zilverionisatie mag niet preventief gebruikt worden.

·           Vóór plaatsing van de BIFIPRO® apparatuur dient het waterleidingsysteem grondig gereinigd te worden.

·           Iedere keer als er een voornemen bestaat om koper-/zilverionisatie apparatuur op een bepaalde locatie voor het eerst in werking te stellen, dienen de leverancier en/of de gebruiker dit uiterlijk 2 weken voor de inwerkingstelling te melden aan het Ministerie van VROM, Directie Duurzaam Produceren (ipc 625), afdeling bodem en water, Postbus 30945 2500 GX Den Haag.

·           Het beheersplan (conform artikel 17l van het Waterleidingbesluit) moet gericht zijn op voortdurende borging van de effectiviteit van de apparatuur in de gehele achterliggende installatie en het voorkómen van ongewenste neveneffecten. Daarbij moet voldaan worden aan de eisen die worden genoemd in hoofdstuk 3 van BRL K 14010-2/01 (Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa-attest met productcertificaat voor legionellapreventie met alternatieve technieken, deel 2: elektrochemische technieken: koper-/zilverionisatie en anodische oxidatie).

·           Van de uitvoering van het beheersplan wordt verslag gedaan in het logboek (conform artikel 17n van het Waterleidingbesluit).

 

 

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

 

Toepassing in drinkwaterleidingen

De BIFIPRO® apparatuur dient na de watermeter geïnstalleerd te worden zodanig dat alle relevante tappunten van behandeld water worden voorzien.

 

Dosering

Na reinigen van de installatie wordt door de leverancier een dosering ingesteld die, gemeten direct achter de installatie,

- voor koper minimaal 200 µg/l en maximaal 1000 µg/l en

- voor zilver minimaal 10 µg/l en maximaal 50 µg/l bedraagt,

waarbij voor koper op elk tappunt de wettelijke eis van 2000 µg/l niet wordt overschreden.

 

Voor een juiste dosering van de koper en zilverionen mag er geen ionisatie plaatsvinden bij een waterdoorstroming van minder dan 1% van het maximale te meten debiet (bijvoorbeeld start ionisatie bij een doorstroming vanaf 1 l/min bij een maximaal bereik van 100 l /min ).

 

Afhankelijk van de waterkwaliteit (kopercorroderend vermogen) kan de verhouding tussen de koper- en zilverafgifte traploos worden aangepast. Ter voorkomen van onnodige koper- en zilvertoevoeging wordt bij grote waterafname de dosering beperkt. Bij grote waterafname is de verblijftijd van de ionen in het leidingstelsel beperkt en daardoor ook de desinfecterende werking van deze ionen.

De tijdsduur van deze tijdelijk verlaagde gehaltes zijn afhankelijk van het volume van het lokale leidingnetwerk en daardoor vrij programmeerbaar.

Bij toepassing van de apparatuur bij installaties met een reinwaterkelder is er sprake van het tijdelijk vullen van een waterreservoir met maximaal debiet. De initiële waarden voor koper en zilvergehaltes worden gezet op respectievelijk 400 µg/l Cu en 40 µg/l Ag. Deze waarden kunnen naderhand onafhankelijk worden ingesteld.

Bij zowel de toepassing van de apparatuur met en zonder waterbuffer dient vervolgens de dosering geleidelijk en stapsgewijs afgebouwd tot een minimaal onderhoudsniveau dat nodig is om deze locatie legionella vrij (<100kve/l) te houden. Deze concentraties kunnen lager maar niet hoger zijn dan de bovenstaande vermelde gehaltes aan koper en zilverionen.

 

Toepassing in koeltorens

De dosering van koper- en zilverionen is onafhankelijk van de aangetroffen hoeveelheid Legionella bacteriën.

Voor koperionen dient de concentratie in het water te liggen tussen 300 en 500 mg/l.

Voor zilverionen dient de concentratie in het water te liggen tussen 30 en 50 mg/l.

De apparatuur dient rekening te houden met zowel de hoeveelheid geloosd koelwater als met de indikfactor van het koelwater (respectievelijk de hoeveelheid en de geleidbaarheid van het lozingswater). Bij eenvoudige goed werkende installaties kan worden volstaan met een van beide metingen. Vervolgens dient de dosering geleidelijk en stapsgewijs te worden afgebouwd tot een minimaal niveau dat nodig is om deze koelinstallatie legionella-vrij te houden.

 

Beheer

Algemeen:

De eigenaar stelt in samenwerking met de leverancier een protocol (beheersplan) op, waarin is aangegeven op welke wijze gereageerd moet worden op uitval, storingen en overschrijdingen van normwaarden etc.. De eigenaar van de installatie dient met dit protocol bekend te zijn en er in voorkomende gevallen naar te handelen.

Tevens dient een servicecontract met of via de leverancier te zijn afgesloten om de werking van het systeem te waarborgen.

 

Toepassing in waterleidingsystemen voor drinkwater:

Bij gebruik van de apparatuur dient het koper- en zilvergehalte, kolonie- en legionellagetal gecontroleerd te worden volgens het meetprogramma zoals voorgeschreven in BRL K14010-2/01 paragraaf 3.3, punt j.



HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN

 

BIJLAGE II bij het besluit d.d. 26 februari 2010 tot toelating van het middel Bifipro, toelatingnummer 13292 N

 

 

Hstk

Aspect

 

I

Profiel fysische en chemische eigenschappen (inclusief analyse methoden)

2

II

Profiel werkzaamheid

3

III

Profiel humane toxicologie

7

IV

Profiel milieuchemie en-toxicologie

9

V

Conclusie

34

VI

Etikettering

34

 


I           Profiel fysische en chemische eigenschappen

 

Werkzame stoffen koper- en zilverionen

 

Identiteit en fysische en chemische eigenschappen

De werkzame stoffen koper- en zilverionen worden in situ geproduceerd vanuit de precursors koper en zilver middels elektrolyse. Van zowel de metalen koper als zilver is voldoende informatie beschikbaar in het dossier en in de openbare literatuur.

 

De geleverde specificatie van de koper/zilver legering toont in voldoende mate aan dat er geen risico bestaat op het vrijkomen van zware metalen, zoals lood, in onaanvaardbare concentraties. De specificatie is onderbouwd met een analysecertificaat.

 

 

Middel Bifipro

 

Identiteit en fysische en chemische eigenschappen

Het middel is gebaseerd op een beheerste elektrolyse van koper en zilver. Voor de beoordeling van de identiteit en de fysische en chemische eigenschappen wordt uitgegaan van de elektroden gebruikt voor de in situ productie van koper- en zilverionen. Er wordt gebruik gemaakt van één koperelektrode en één zilverelektrode in aparte ionisatiekamers. De lengte van de elektroden is variabel (10 – 40 cm), afhankelijk van het noodzakelijk debiet. De doorsnede van de elektroden is 19 mm. Het apparaat waarin de elektroden worden geplaatst wordt buiten beschouwing gelaten.

 

De fysische en chemische eigenschappen van koper en zilver (metaal in vaste vorm) zijn niet van invloed op de risicobeoordeling. De houdbaarheid van de elektrode wordt ook buiten beschouwing gelaten. De elektrode is niet onderhevig aan afbraak of bederf dat de veiligheid van de gebruiker in het gevaar zou kunnen brengen of zou kunnen leiden tot een afname van de werkzaamheid.

 

Conclusie fysische en chemische eigenschappen

De geleverde gegevens geven in voldoende mate de mogelijkheid weer om de identiteit van de stof en het middel te kunnen vaststellen, specificeren en karakteriseren. Er is vastgesteld dat de standaardgegevens voor milieu, toxicologische aspecten en risico’s met betrekking tot de fysische en chemische eigenschappen beschikbaar zijn.

 

 

Etikettering

 

Voorstel voor classificatie van koper- en zilverionen met betrekking tot fysische en chemische eigenschappen

 

De werkzame stoffen worden in situ gevormd. Daarom wordt er geen etiketvoorstel voor de werkzame stoffen opgesteld.

 

Voorstel voor classificatie en etikettering formulering(en) met betrekking tot fysische en chemische eigenschappen

 

Op grond van de fysische en chemische eigenschappen (metaal in vaste vorm) worden geen R/S zinnen en/of gevaarsymbolen aan het middel toegekend.

 

 

Analysemethoden in technisch materiaal en product

Voor koper en zilver en koper- en zilverionen zijn in de openbare literatuur analysemethoden beschreven, waaronder methoden op basis van AAS, ICP-AES en ICP-MS. Deze methoden zijn acceptabel.

 

Residuanalysemethoden

Het middel wordt niet toegepast op of nabij consumptiegewassen (landbouw). Gezien toepassing niet voor overschrijding van de drinkwaternormen zal zorgen is het risico voor de mens door consumptie van vis of andere dierlijke producten te verwaarlozen. Residuanalysemethoden voor plantaardige en dierlijke producten zijn niet noodzakelijk.

 

Voor de milieucompartimenten grond en lucht worden residuanalysemethoden niet noodzakelijk geacht gezien er geen blootstelling plaatsvindt.

 

Voor koper en zilver en koper- en zilverionen zijn in de openbare literatuur analysemethoden beschreven, waaronder methoden op basis van AAS, ICP-AES en ICP-MS. Deze methoden zijn acceptabel.

 

Conclusie analysemethoden

De analysemethoden voldoen aan de vereisten.

 

 

II          Profiel werkzaamheid

 

Het betreft een aanvraag tot toelating van BIFIPRO® (de koper- en zilverelektroden worden gebruikt in apparatuur voor koper-/zilverionisatie van het merk BIFIPRO®). De koper- en zilverelektroden zijn precursors, de koper- en zilverionen gevormd door ionisatie van koper en zilver zijn de werkzame stoffen. Het middel wordt aangevraagd met een dosering van 300 – 500 µg/l koper en 30 – 50 µg/l zilver. Het middel is bedoeld als middel ter bestrijding van Legionella en biofilm in waterleidingsystemen voor drinkwater in prioritaire instellingen en in koelwater in natte koeltorens met emissie naar de RWZI.

De toepassing van het middel valt onder de product groepen PT5 (ontsmettingsmiddelen voor drinkwater) en PT11 (conserveringsmiddelen voor vloeistofkoelings- en verwerkingssystemen).

 

Werkingsmechanisme

De koper- en zilverionen hechten zich, door elektrostatische banden, aan de geladen plekken van de bacteriële celwand. De wand wordt daardoor verzwakt en de zilverionen dringen de cel binnen, waar ze het DNA, RNA, enzymen en de aanwezige eiwitketens aantasten. Door dit proces wordt de reproductie van de bacterie gestopt.

 

Beoordelingsmethodiek

Voor de beoordeling van de werkzaamheid tegen Legionella in drinkwatersystemen dienen praktijkstudies te worden uitgevoerd, waarbij de bestrijding van zowel biofilm als Legionella is aangetoond. De eisen voor deze toetsen worden verwoord in Bijlage 1. Als beoordelingscriterium geldt dat per test locatie in 90% van meetpunten niet meer dan de normwaarde van 100 kve/l (kolonievormende eenheden per liter) Legionella wordt gemeten en bovendien de maximumwaarden van 1000 kve/l Legionella niet is overschreden. Voor alle testlocaties samen geldt dat 90% van de locaties moet voldoen aan deze eisen.

Voor de beoordeling van de werkzaamheid in koelwater moet worden aangetoond dat de Legionella concentratie kan worden teruggebracht tot 1000 kve/l (wettelijke norm voor Legionella in koelwater).

 

Geleverd

Uit de geleverde openbare literatuur blijkt dat koper-/zilverionisatie als een bruikbare methode voor bestrijding van Legionella beschouwd kan worden. De werkzaamheid is echter alleen aangetoond in enkele laboratoriumproeven en in een aantal heetwatersystemen in ziekenhuizen in de Verenigde Staten. In Nederland is veelal sprake van een andere samenstelling van het drinkwater dan in de Verenigde Staten (o.a. toevoeging van chloor) en, veel belangrijker, wordt toepassing beoogd in koudwatersystemen. De resultaten van het door Kiwa WR uitgevoerde onderzoek in praktijkinstallaties in Nederland laat de potentiële mogelijkheden zien voor toepassing van koper-/zilverionisatie in de Nederlandse situatie. Niet duidelijk is of bij de verschillende in de literatuur beschreven onderzoeken gebruik is gemaakt van de BIFIPRO®-apparatuur.

Er zijn praktijkstudies geleverd waar de BIFIPRO®-apparatuur is gebruikt op 10 locaties in het westen van Nederland en in Noord-Limburg. Op deze locaties wordt water van vier verschillende waterleiding bedrijven gebruikt, waarschijnlijk afkomstig van verschillende pompstations per bedrijf. Hoewel de studies niet voldoen aan alle vereisten voor het uitvoeren van de praktijktesten (er kon niet altijd vastgesteld worden of het vereiste aantal monsterpunten is bemonsterd; niet altijd is de vereiste meetfrequentie gevolgd; op twee locaties is niet gedurende een volledig jaar bemonsterd) waren er voldoende resultaten om een beoordeling uit te kunnen voeren. Op zes locaties zijn meetgegevens beschikbaar over een langere periode dan één jaar (variërend van 16 tot 20 maanden na plaatsing van de apparatuur). Gebleken is dat op de meeste locaties waar de praktijkstudies zijn uitgevoerd de betreffende leidinginstallatie niet tevoren is gereinigd. Daardoor duurt het veelal enkele maanden voordat een stabiele situatie is bereikt. Omdat meetresultaten over een langere periode beschikbaar zijn, kan beoordeeld worden of er sprake is van een stabiele situatie.

Op negen van de tien locaties wordt voldaan aan de eis dat 90% van de waarden voor Legionella kleiner dan 100 kve/l moet zijn. Op één locatie met een zeer complexe drinkwaterinstallatie ligt 88% van de waarden voor Legionella onder de waarde van 100 kve/l.

Op vier locaties worden één of meer overschrijdingen van de maximumwaarde voor Legionella van 1000 kve/l gevonden. Bij twee van deze locaties betrof het één overschrijding die plaatsvond in de eerste maand na plaatsing van het BIFIPRO®-systeem en op de derde locatie werden twee overschrijdingen gevonden, respectievelijk vier en vijf maanden na plaatsing; daarna werden geen overschrijdingen meer gevonden. Op de vierde locatie werden vier overschrijdingen gevonden, zijnde 2,2 % van het totale aantal bepalingen van Legionella op deze locatie. Daarvan waren twee overschrijdingen meer dan één jaar na plaatsing. Het betreft dezelfde locatie met een zeer complexe drinkwaterinstallatie als hierboven en die niet voldoet aan de 90-percentiel voor Legionella. Als mogelijke oorzaak voor deze overschrijdingen is vervuiling van filters in de thermostaatkranen van de betreffende tappunten genoemd. Volgens de aanvrager worden deze filters inmiddels regelmatig vervangen en is geen sprake meer van een Legionella-probleem. Er zijn echter geen meetresultaten beschikbaar die de verbetering aantonen.

Op zes locaties zijn ook gegevens beschikbaar van meer dan een jaar na plaatsing. Op vijf van de zes locaties werd geen enkele overschrijding gevonden van de maximumwaarde van 1000 kve/l en werd in totaal slechts eenmaal een waarde tussen 100 en 1000 kve/l gerapporteerd. Alleen op bovengenoemde locatie met complexe drinkwaterinstallatie werden meer dan een jaar na plaatsing nog enkele overschrijdingen gevonden.

Op de locatie waar het leidingsysteem vooraf is gereinigd werd over een periode van 20 maanden op acht tappunten geen enkele waarde voor Legionella gevonden groter dan 100 kve/l bij zilverwaarden die voldoen aan de eis dat 90 % van de waarden kleiner dan 50 μg/l moet zijn.

In totaal voldoen minder dan 70 % van de locaties aan alle eisen m.b.t. Legionella. Hierbij moet worden opgemerkt dat, met uitzondering van de eerder genoemde locatie met een complexe drinkwaterinstallatie, alle overschrijdingen plaatsvonden in het eerste halfjaar na plaatsing van de BIFIPRO®-apparatuur. Als deze overschrijdingen worden toegeschreven aan opstartproblemen en op grond daarvan niet worden meegeteld, voldoet wel 90% aan alle eisen.

Hoewel de aanvrager een dosering van 300–500 µg/l koper en 30–50 µg/l zilver voorstelt blijkt dit in de praktijk te fluctueren. De benodigde waarde hangt o.a. af van de complexiteit en de vervuiling van de locatie. De waarde voor koper blijft in alle gevallen ruim onder de wettelijke maximumwaarde (2000 µg/ op de tappunten) maar komt soms wel boven de
500 µg/l  uit. Op verschillende locaties worden regelmatig gehaltes aan zilver gevonden die liggen tussen 50 en 100 μg/I. Het gaat daarbij om 15 tot 25 % van het totale aantal metingen voor zilver. Overschrijdingen van de maximumwaarde voor zilver in drinkwater van 100 μg/l zijn slechts op één locatie gevonden. Bij twee locaties is door de aanvrager aangegeven dat de apparatuur nog nader afgesteld moet worden. Het blijkt op de betreffende locaties met veelal complexe drinkwaterinstallaties lastig om de apparatuur in te regelen.

 

Er is één praktijktest uitgevoerd in een koeltoren. Over een periode van 2,5 jaar zijn metingen gedaan. In het eerste jaar bestond de koeltoren uit meerdere halfopen bakken, daarna is een nieuwe gesloten koeltoren in gebruik genomen. Bij de start van de behandeling was de Legionella concentratie 6000 kve/l. Na de ingebruikname van het BIFIPRO® systeem is de Legionella concentratie direct gedaald tot lager dan 1000 kve/l (wettelijke norm voor Legionella in koelwater). Slechts eenmaal is de Legionella concentratie nog groter geweest aan 1000 kve/l.

 

Beoordeling

De werkzaamheid van het middel BIFIPRO® op basis van de werkzame stoffen koper en zilver is voldoende aangetoond. Uit de geleverde meetresultaten in drinkwaterinstallatie blijkt dat op negen van de tien locaties wordt voldaan aan de eis dat 90% van de meetwaarden voor Legionella kleiner dan 100 kve/l moet zijn. Er zijn enkele overschrijdingen van de maximumwaarde voor Legionella van 1000 kve/l.  Echter, het aantal overschrijdingen is beperkt en bovendien worden deze overschrijdingen, met uitzondering van één locatie met een zeer complexe leidinginstallatie, gevonden gedurende het eerste halfjaar na plaatsing van de BIFIPRO®-apparatuur. Bekend is dat het bij niet vooraf gereinigde drinkwaterinstallaties geruime tijd duurt voordat een stabiele situatie is verkregen. Van zes locaties zijn meetresultaten voor Legionella geleverd over een langere periode dan een jaar. Daaruit blijkt dat, met uitzondering van de eerder genoemde locatie met een complexe drinkwaterinstallatie, geen overschrijdingen meer gevonden worden van de maximumwaarde van 1000 kve/l en slechts één maal een waarde tussen 100 en 1000 kve/l. Voor de locatie waar nog wel (op één tappunt) een overschrijding werd gevonden is een waarschijnlijke oorzaak gevonden voor de Legionella-besmetting. Uit het voorgaande blijkt dan ook dat, na een bepaalde periode, een stabiele situatie wordt bereikt en het middel voldoende werkzaam is. Om eerder een stabiele situatie te verkrijgen en sneller te kunnen voldoen aan de eisen in het Waterleidingbesluit ten aanzien van waarden voor Legionella is het gewenst dat de te behandelen drinkwaterinstallatie vóór het in werking stellen van de BIFIPRO®-apparatuur (eenmalig) wordt gereinigd. De resultaten van de enige locatie waar vooraf een reiniging heeft plaatsgevonden en waar geen enkele waarde voor Legionella groter dan 100 kve/l werd gevonden, bevestigen dit.

Ook in koelwatertorens is het BIFIPRO®-systeem voldoende werkzaam, zowel in open als gesloten systemen.

 

Om de werkzaamheid van de apparatuur te garanderen dienen de BIFIPRO® elektroden en bijbehorende apparatuur te voldoen aan alle voorwaarden en eisen, zoals opgenomen in BRL K14010-2/01 (Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa-attest met productcertificaat voor legionellapreventie met alternatieve technieken, deel 2: elektrochemische technieken: koper-/zilver-ionisatie en anodische oxidatie).

 

 

Beoordeling van het Wettelijk Gebruiksvoorschrift/Gebruiksaanwijzing (WG/GA).

Het WG/GA zoals geleverd door de aanvrager voldoet niet. Het middel is alleen geschikt voor collectieve drinkwaterleidingsystemen in prioritaire instellingen en voor professioneel gebruik. Omdat in dit soort systemen de werkzaamheid alleen gegarandeerd kan worden als er ook een goed beheer van de apparatuur en het waterleidingsysteem plaatsvindt, moeten hiervoor eisen worden opgenomen in het WG/GA.

De geleverde studies geven een aanwijzing dat de BIFIPRO® apparatuur pas voldoende werkzaam is als wordt uitgegaan van een stabiel of weinig vervuild systeem. Daarom moet in het WG/GA worden opgenomen dat het waterleidingsysteem vooraf moet worden gereinigd.

In bijgevoegd concept WG/GA zijn deze wijzigingen opgenomen.

Uit de praktijktesten blijkt dat de waarden van koper en zilver in het drinkwater kunnen fluctueren en niet binnen de doseringswaarden blijven die de aanvrager heeft voorgesteld (300–500 µg/l koper en 30–50 µg/l zilver).

Daarom wordt voorgesteld dat de maximumwaarden, zoals vastgesteld in de VGB (Voorwaarden voor Geen Bezwaar) worden opgenomen in het WG/GA. Voor koper is de maximum te doseren waarde 1000 µg/l. Deze waarde is afgeleid van de waarde in tabel II van het Waterleidingbesluit (max 2000 µg/l op te tappunten), waarbij de techniek niet de volledige normwaarde voor koper mag opvullen i.v.m. de bijdrage van koper vanuit andere bronnen. Voor zilver is de maximum waarde 50 µg/l. Deze waarde is gebaseerd op een advies van het RIVM, aangevuld met een advies van de CvD (Commissie van Deskundigen van VROM).

De minimum waarden worden aangepast conform het KIWA rapport.

Na het plaatsen van de apparatuur moet door de leverancier een dosering worden ingesteld, zodanig dat het binnen de hierboven aangegeven waarden blijft. Omdat de benodigde waarde o.a. afhangt van het organisch stofgehalte in het aangeleverde water en de complexiteit en de vervuiling van de locatie, kan de dosering vervolgens worden aangepast aan de locatie. De dosering moet geleidelijk en stapsgewijs worden afgebouwd conform een schema, zoals bedoeld in BRL K14010-2/01 paragraaf 3.6.3 laatste bullet, tot een minimaal onderhoudsniveau dat nodig is om deze locatie legionella-vrij te houden.

In bijgevoegd concept WG/GA zijn deze wijzigingen opgenomen.

 

Conclusie werkzaamheid

De werkzaamheid van koper-/zilverelektroden in BIFIPRO®-apparatuur tegen Legionella en biofilm in waterleidingsystemen voor drinkwater in prioritaire instellingen en in koelwater in natte koeltorens met emissie naar de RWZI is, bij gebruik volgens het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing, voldoende aangetoond.

 

Ontbrekende gegevens

geen

 

Voorwaarden voor toelating (op te nemen in het besluit)

·           De BIFIPRO® elektroden en bijbehorende apparatuur dienen te voldoen aan alle voorwaarden en eisen, zoals opgenomen in BRL K14010-2/01 (Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa-attest met productcertificaat voor legionellapreventie met alternatieve technieken, deel 2: elektrochemische technieken: koper-/zilverionisatie en anodische oxidatie).


 

 

 

III         Profiel humane toxicologie

 

In voorliggende beoordeling is gebruik gemaakt van gegevens aangeleverd door de aanvrager, gegevens uit de openbare literatuur en data beschikbaar bij het Ctgb in open dossiers. Gerenommeerde instanties hebben voor deze stoffen grenswaarden/normen afgeleid.

Om het risico voor de toepasser en de volksgezondheid voor het aangevraagde gebruik te beoordelen zijn de reeds afgeleide normen voor drinkwater bruikbaar en wordt het niet nodig bevonden om op basis van openbare literatuur een toxprofiel op te stellen. In voorliggende beoordeling zijn de gebruikte normen en bronnen in de tekst (aangevuld bij  referenties) vermeld.

 

Beoordeling van het risico voor de toepasser (beroepsmatig)

 

Het betreft aan aanvraag voor koper-/zilverionisatie ter bestrijding van Legionella bacterie en biofilm in waterleidingsystemen voor drinkwater en in koelwater in koeltorens met het BIFIPRO systeem van Holland Watertechnology. In het apparaat worden elektroden gebruikt in apparatuur voor koper-/zilverionisatie met een dosering van koperionen tussen de 300 en 500 μg/l en zilverionen tussen 30 en 50 μg/l. De apparatuur wordt in het leidingsysteem geïntegreerd. En mag alleen door professionele installateurs geplaatst en onderhouden worden. Er wordt flowproportioneel gedoseerd. De hoeveelheid water wordt gesignaleerd door een flowmeter. Deze flowmeter koppelt hoeveelheid water aan een signaal en geeft dit door aan de besturingskast. Een besturingskast geeft een spanning af waardoor een potentiaalverschil over de elektrodes ontstaat. Dit potentiaal verschil zorgt ervoor dat er koper- en zilverionen aan het water afgegeven worden.

 

De installateur komt niet in contact met de elektrodes als er water in het apparaat aanwezig is. Na installatie van het apparaat wordt water toegevoegd en voert de installateur alleen werkzaamheden uit aan/in de besturingskast.

 

Conclusie

Er wordt geen risico voor de toepasser (installateur) verwacht.

 

Beoordeling van het risico voor de volksgezondheid

 

Het mogelijk risico als gevolg van de koelwatertoepassing wordt gedekt door de beoordeling van het risico voor de volksgezondheid als gevolg van de drinkwater toepassing aangezien bij de laatste toepassing de blootstelling van de mens via drinkwater worst case wordt geacht te zijn. De mogelijke uitstoot (van zilver en koper) in de lucht zal zich voldoende hoog boven de grond plaatsvinden waardoor de uitstoot wordt vermengd met “schone” lucht en verspreid. Daardoor zal de inhalatoire blootstelling van de mens minder zijn dan de mogelijke blootstelling via drinkwater. Hieronder is daarom alleen de drinkwater toepassing beoordeeld.

Het BIFIPRO systeem wordt geplaatst in collectieve instellingen. Bij deze instellingen voeren de waterleidingbedrijven controles uit om te toetsen of wordt voldaan aan de installatievoorschriften volgens NEN 1006. De normwaarden in drinkwater is voor koper is 2 mg/l volgens tabel II van het Waterleidingbesluit  en RIVM advies (RIVM project M/703719/06/BD) (ook EU standaard (EU Directive 98/83). De techniek mag niet de volledige normwaarde voor koper opvullen i.v.m. de bijdrage van koper vanuit andere bronnen. Uitgegaan wordt van een verhoging van het kopergehalte door gebruik van de apparatuur met maximaal 1 mg/l.

De Europese Unie schrijft voor de concentratie zilver in het drinkwater geen waarden voor. In het waterleidingbesluit staat geen normwaarde voor zilver. Voor zilver wordt een normwaarde gehanteerd van 50 μg/l. Deze normwaarde is gebaseerd op een advies van het RIVM (RIVM project M/703719/06/BD), waar voor gebruik van zilver t.b.v. bestrijding van legionella een grenswaarde van 100 μg/l werd geadviseerd. Aangezien een zilverconcentratie van 50 μg/l ruim voldoende wordt geacht voor de bestrijding van Legionella en mede gelet op de milieubelasting en langdurige blootstelling heeft de  Commissie van Deskundigen Waterleidingsbesluit (van VROM, secretaris van KIWA) gekozen voor een normwaarde van 50 μg/l als 90%-percentiel met een maximum van de geadviseerde 100 μg/l. Dit komt overeen met het gehalte genoemd in een WHO publicatie “Silver in drinking-water: Background document for development of WHO guidelines for drinking-water quality”. Volgens het WHO document zijn er geen acute effecten te verwachten van zilver tot hoge concentraties (acute lethal dose = 10 g) en is een concentratie van 0.1 mg/L acceptabel voor chronische blootstelling. Deze waarde van 0.1 mg/L resulteert gedurende een mensenleven (70 jaar) in de opname van minder dan 10 g zilver en dat wordt acceptabel geacht, gebaseerd op gegevens over concentraties (LOAEL 1 g/kg/dag = 0.017 mg/kg/dag; geen NOEL) die tot argyria kunnen leiden.

In de Verenigde Staten wordt ook voor koper een maximum gehalte van 1,0 mg/L en voor zilver van 0,1 mg/L aangehouden (EPA, National Secundary Drinking Water regulations, 2002).

 

Indien biofilm loslaat kan er inderdaad kortstondig een verhoogde koper en zilver concentratie in het water voorkomen. De effecten daarvan worden echter niet significant geacht gezien de normen. Bedacht moet worden dat zilver voornamelijk als zilverchloride in de biofilm aanwezig is en zwart/grijs van kleur is. Een hogere concentratie zilverchloride (>100ppb = 0,1 mg/l) oogt uiteindelijk een zwarte/grijze suspensie, bestaand uit van zeer fragiele zwarte vlokjes. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat iemand een dergelijke oplossing zal drinken. En als dit incidenteel zou gebeuren, is er nog geen sprake van acuut risico. Verder is de kans dat een dergelijke hoge zilverconcentratie door plotselinge biofilm afgifte ook precies in dè 2 liter water terecht komt die gemiddeld door één persoon binnen 24 uur wordt geconsumeerd uiterst klein aangezien het menselijke consumptiepatroon een spreiding over de dag laat zien. De kans dat nuttiging van water telkens precies samenvalt met het loslaten van de biofilm is bijna uitgesloten. De consument moet dan ook nog toevallig van precies het relevante tappunt consumeren waaruit de biofilm stroomt. Het is namelijk ook zeer onwaarschijnlijk  dat alle tappunten van de collectieve installatie tegelijkertijd worden voorzien van de hoge zilver dosis.

Dezelfde redenatie kan ook gevoerd worden voor koper. Alleen geldt voor koper dat er eerder problemen verwacht worden indien men te weinig koper consumeert dan voor teveel koper (WHO Environmental Health Criteria 200: Copper, 1998). Een incidentele toename van de koperconcentratie zal daarom geen nadelige effecten hebben op de gezondheid.

 

Bij gebruik van de apparatuur dient het koper- en zilvergehalte, kiem- en legionellagetal gecontroleerd te worden volgens het meetprogramma zoals voorgeschreven in BRL K14010-2/01 paragraaf 3.3. Tevens dient een servicecontract met of via de leverancier te zijn afgesloten om de werking van het systeem te waarborgen.

Het is daarom niet te verwachten dat, wanneer de doseringen zoals gesteld in het WGGA worden aangehouden, de normwaarden worden overschreden: voor koper 2 mg/l volgens tabel II van het Waterleidingbesluit en RIVM advies (RIVM project M/703719/06/BD), voor zilver 0,1 mg/l obv WHO publicatie en RIVM advies (RIVM project M/703719/06/BD).

Daarmee is naast het risico van orale blootstelling door het drinken van drinkwater ook het risico als gevolg van dermale en inhalatoire blootstelling van de volksgezondheid als gevolg van bijvoorbeeld douchen of wassen gedekt aangezien dermale en inhalatoire blootstelling ook plaatsvindt aan hetzelfde drinkwater met dus dezelfde normwaarden.

 

Conclusie

Er wordt geen risico voor de volksgezondheid ingeschat.

 


Etikettering

 

Voorstel voor classificatie van koper- en zilverionen met betrekking tot toxicologische eigenschappen

 

De werkzame stoffen worden in situ gevormd. Daarom wordt er geen etiketvoorstel voor de werkzame stoffen opgesteld.

 

Voorstel voor classificatie en etikettering formulering(en) met betrekking tot de gezondheid

 

Op grond van de toxicologische eigenschappen (metaal in vaste vorm) worden geen R/S zinnen en/of gevaarsymbolen aan het middel toegekend.

 

 

Referenties Humane Toxicologie

1. EU Directive 98/83.  European Commission (1998) “Council Directive 1998/83/EC of 3 November 1998 on the quality of water intended for human consumption. Official Journal of the European Communities, 05.12.1998, L 330/32”.

2. WHO publicatie “Silver in drinking-water: Background document for development of WHO guidelines for drinking-water quality” published in guidelines for drinking-water quality 2nd ed. Vol.2. Health criteria and other supporting information. World Health Organization, Geneva, 1996 (WHO/SDE/WSH/ 03.04/14).

 

 

 

IV        Profiel milieuchemie en –toxicologie

 

1 Kaderstelling

 

1.1 Toetsingskader

De risicobeoordeling is uitgevoerd conform hoofdstuk 10 van de RGB voor producten op basis van een werkzame stof, niet geplaatst op Annex I van de richtlijn 98/8/EG.

 

In voorliggende milieubeoordeling is gebruik gemaakt van gegevens aangeleverd door de aanvrager (waaronder gegevens n.a.v. aanvullende vragen geleverd voor het aspect milieu dd.2 november 2009 en 27 november 2009), gegevens uit de openbare literatuur (zie referenties) en data beschikbaar bij het Ctgb in open dossiers (bv. RIVM, Basisdocument Koper, 1990; CSR adviesrapport 08886a00, 2002). Gegevens geleverd n.a.v. aanvullende vragen betreffen nadere gegevens met betrekking tot het volume en locaties van voorzien gebruik en een overzicht van beschikbare eindpunten voor zilver voor doorvergiftiging van volgels en zoogdieren.

 

1.2 Toepassingsoverzicht

In tabel M.0 is een overzicht gegeven van de toepassing(en) zoals die gebruikt worden in de milieurisicobeoordeling.

 

Tabel M.0.   Toepassingsoverzicht Bifipro

Nr.

Toepassing

Wijze van toepassing

Dosering w.s.

 

 

 

 

 

Koper

-ionen

Zilver

-ionen

 

 

 

(μg Cu/L)

(μg Ag/L)

1

Bestrijding van de Legionella bacterie en biofilm in waterleidingsystemen voor drinkwater in prioritaire instellingen (PT5)

Toepassing in waterleidingsystemen onder continue dosering

400

40

 

2

bestrijding van de Legionella bacterie en biofilm in koelwater in natte koeltorens* met emissie naar de RWZI (PT11)

Toepassing in koeltorens onder continue dosering

400

40

* tot een capaciteit van maximaal 4 MW.

 

Instellingen met collectieve waterleidingsystemen zijn gevoelig gebleken als bron voor Legionella-besmetting. Koper-/zilverionisatie wordt gezien als middel voor Legionella-bestrijding voor met name dit type waterleidingsystemen. In Nederland zijn naar schatting 600.000 instellingen met collectieve waterleidinginstallaties, zoals kantoorgebouwen, schoolgebouwen, universiteitsgebouwen, sportverenigingen, ziekenhuizen, zorginstellingen, kampeerterreinen, gebouwen met logiesfunctie of celfunctie, asielzoekerscentra, badinrichtingen, jachthavens, etc. Binnen deze groep zijn ca. 10 000 prioritaire instellingen (vastgelegd het Waterleidingbesluit) waar zich in het verleden reeds meerdere besmettingsgevallen met Legionella hebben voorgedaan en welke van daaruit moeten voldoen aan gespecificeerde beheersmaatregelen.

 

De gekozen concentratie gaat uit van een koeltoren gevoed met koelwater van drinkwaterkwaliteit. De verwachting is dat hogere concentraties vereist zijn voor koelwater op basis van oppervlaktewater of proceswater. Dosering van koper- en zilverionen is continue. Aangenomen wordt dat desinfectie van een met Legionella besmet leidingsysteem niet plaatsvindt m.b.v. een shockdosering van koper- en zilverionen, maar dat deze desinfectie uitgevoerd wordt op basis van een biocide met een andere werkzame stof.

 

Het WGGA geeft aan dat de concentratie koper- en zilverionen respectievelijk tussen de 300 en 500 mg/l en 30 en 50 mg/l ligt. In de risicobeoordeling is uitgegaan van een concentratie van 400 μg/L koper en 40 μg/L zilver voor Legionella-bestrijding in zowel waterleidingsystemen als koelwaterinstallaties. De dosering is gebaseerd op een schatting van de initiële waarden voor koper- en zilvergehaltes. Deze waarden kunnen mogelijk na verloop tijd geleidelijk en stapsgewijs worden afgebouwd tot een minimaal onderhoudsniveau dat nodig is om de locatie legionella vrij te houden.

 

Voor de schatting van de emissies uit koelwaterinstallaties is uitgegaan van de emissiescenario’s beschikbaar in het emissiescenario document voor PT11 (ESD PT11 Preservatives for liquid cooling and processing systems).Voor de geïnstalleerde koelcapaciteit in Nederland zijn er op dit moment geen gegevens vanuit een landelijk registratiesysteem. Op basis van expert judgement vanuit de industrie (branchevereniging, leveranciers en waterbehandelingsbedrijven) is een schatting gemaakt van tenminste 4000 koeltorens (4000-6000; Tweede Kamer (2009). Veteranenziekte. Vergaderjaar 2008-2009, 26442, nr. 45), bij benadering 3000 kleine koeltorens (750 kW) en 1000 koeltorens van 4000 kW. Het hier beschreven marktsegment betreft koeltorens voor de institutionele markt.Capaciteit en grootte van deze koeltorens is relatief klein ten opzichte van koelinstallaties in andere sectoren (b.v. industrie, elektriciteitswinning), vandaar dat de toepassing in het WGGA begrenst is tot een maximum van 4 MW.

 

 


2. Risico’s voor het milieu

 

2.1.      Emissieroutes

Voor biociden dienen toepassingsfase, gebruiksfase en afvalfase in de beoordeling te worden betrokken. Relevante emissie van het middel Bifipro naar het milieu vindt plaats in de afvalfase. 

Tabel M.1.   Overzicht van emissieroutes voor de gevraagde toepassing

 

Milieucompartimenten

Toepassing

Lucht

RWZI

Water

Sedi-ment

Bodem

Grond-water

Biota

waterleidingsystemen voor drinkwater (PT5)

-

++

+

+

(+)

(+)

+

Open-recirculerende koelwatersystemen (PT11)

++

+ / -

++

++

+

+

 

++        Compartiment dat rechtstreeks wordt blootgesteld

+          Compartiment dat indirect wordt blootgesteld

(+)        Compartiment dat mogelijk wordt blootgesteld (maar naar verwachting geen significant risico op grond van het gebruik)

-           Compartiment dat niet wordt blootgesteld

 

De belangrijkste emissieroute voor de toepassing van koper-/zilverionisatie in waterleidingsystemen is de route via RWZI naar oppervlaktewater en sediment. Binnen het voorzien gebruik, in waterleidingsystemen van prioritaire instellingen, is emissie naar bodem, bijvoorbeeld door beregening van tuinen, niet voorzien. In de beoordeling is uitgegaan van de veronderstelling dat drinkwaterleidinginstallaties in een prioritaire instelling, geen tappunten voor beregening van tuin of park hebben en daarom geen bron zijn voor emissie naar bodem.

 

Bij de toepassing in koelwatersystemen staan verschillende emissieroutes open, afhankelijk van het type koelwatersysteem. Naast indirecte of directe emissie naar oppervlaktewater, kan ook emissie optreden naar bodem via vervluchtiging en drift (Figuur 1).

 

Figuur 1. Schematisch overzicht emissies van koelwatersystemen.

 

 

 


2.2       Vaststelling van de PNEC

Bij de afleiding van de risiconiveaus voor metalen wordt rekening gehouden met het feit dat metalen van nature in het milieu voorkomen. Dit wordt gedaan door de toegevoegde risicobenadering te hanteren. Bij deze benadering wordt de MTT (Maximaal Toelaatbare Toevoeging) bepaald, die door antropogene activiteiten kan worden toegevoegd aan bodem, water of sediment zonder dat ontoelaatbare ecosysteem-effecten te verwachten zijn. Beleidsmatig wordt hierbij de achtergrondconcentratie als een gegeven beschouwd en is de MTT (Maximaal Toelaatbare Toevoeging) gelijk aan de antropogene toevoeging. De normen zijn gebaseerd op totaal-concentraties. Deze benadering ligt ook ten grondslag aan de MTR-afleiding voor koper en zilver in de RIVM-rapporten (Crommentuijn et al.,1997; van de Plassche et al.,1999). Het MTR (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau) voor metalen is de som van de MTT (Maximaal Toelaatbare Toevoeging) en de achtergrondconcentratie. Voor metalen kan alleen een MTR worden afgeleid als er voor het betreffende compartiment voldoende gegevens beschikbaar zijn om een achtergrondconcentratie vast te stellen.

 

Aquatische organismen

Normen voor koper- en zilverconcentraties in oppervlaktewater zijn beschikbaar in twee RIVM rapporten (Crommentuijn et al.,1997; van de Plassche et al.,1999).

Voor koper is een MTTwater en MTRwater afgeleid van respectievelijk 1,1 μg/L en 1,5 μg/L op basis van openbare literatuurgegevens verwerkt met een statistische extrapolatiemethode (Aldenberg & Slob). Hierbij is voor oppervlaktewater een achtergrondconcentratie voor koper aangenomen van 0,44 µg/L. De door het RIVM berekende norm voor koper van 1,1 μg/L is van dezelfde orde van grootte als de door het Ctgb gehanteerde norm van 0,95 μg/L berekend op basis van een HC5 voor 52 zoet- en 56 soorten zoutwater-organismen (CSR adviesrapport 08886a00, 2002).

Voor zilver is een MTTwater afgeleid van 0,082 μg/L op basis ecotoxicologische data van AgNO3. Omdat voor de achtergrondconcentratie zilver in oppervlaktewater onvoldoende gegevens beschikbaar waren, is alleen een MTTwater afgeleid en geen MTRwater.

 

Tabel M.2.   Afleiding norm voor waterorganismen

Stof

Type eindpunt

laagste LC50 waarde

[μg w.s./L]

Veiligheids-factor

PNEC

[μg w.s./L]

Koper

HC5 o.b.v. 52 zoet- en 56 soorten zoutwater-organismen

0,95

 

 

 

MTT*

1,1

 

 

 

 

 

1

0,95

Zilver

MTT*

0,082

1

0,082

*MTT; Maximaal Toelaatbare Toevoeging

 

Sedimentorganismen

Normen voor de beoordeling van koper- en zilverconcentraties in sediment zijn beschikbaar in twee RIVM studies (1997, 1999). Voor zowel koper als zilver is de MTTsediment afgeleid op basis van een MTTwater op basis van equilibrium partitioning. De door het RIVM berekende MTTsediment en MTRsediment voor koper zijn respectievelijk 37 mg/kg ds en 73 mg/kg ds bij een achtergrondconcentratie van 36 mg/kg ds. De MTTsediment voor zilver is 5,5 mg/kg ds. Een MTRsediment voor zilver is niet berekend, omdat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn voor de achtergrondconcentratie van zilver in het sediment.

Naast bovengenoemde studies, zijn voor koper toxiciteitsgegevens uit lab-studies beschikbaar in het open dossier aanwezig bij het Ctgb (CSR adviesrapport 08886a00, 2002). Op basis van chronische data voor 11 soorten afkomstig uit 5 taxonomische groepen is de HC5 bepaald voor de toegevoegde concentratie (MTT) 0,43 mg/kg. De op basis van deze gegevens afgeleide norm voor koper is gevoeliger dan het MTT, afgeleid van het MTTwater op basis van equilibrium partitioning.

 

Tabel M.3.   Afleiding norm voor sedimentorganismen

Stof

Type eindpunt

laagste LC50 waarde

[mg w.s./kg ds]

Veiligheids-factor

PNEC

[mg w.s./kg ds]

Koper

HC5 o.b.v. 11 soorten uit 5 taxonomische groepen

0,43

 

 

 

MTT berekend obv EqP*

37

 

 

 

 

 

1

0,43

Zilver

MTT berekend obv EqP**

5,5

1

5,5

* berekend obv EqP met Kd= 34 000 L/Kg

** berekend obv EqP met Kd = 67 000 L/kg

 

Micro-organismen in de RWZI

Eindpunten mbt effecten op micro-organismen in de RWZI (actief slib) zijn beschikbaar uit de openbare literatuur. Testopzet en meetmethoden zijn niet conform standaard methoden (bv. OECD 306), maar worden representatief beschouwd voor respiratie-inhibitie.

.

Tabel M.4.   Afleiding norm voor micro-organismen in RWZI

Stof

Type eindpunt

LC50

[mg w.s./L]

Ref.

Veiligheids-factor

PNEC

[mg w.s/L]

Koper

BOD degradation,

4,7

Neumegen et al. 2005

 

 

 

Respiration*

1,5

Yin et al. 2005

 

 

 

Respiration*

5,5

Yin et al. 2005

 

 

 

Uitgangspunt voor PNEC

2

 

100**

0,02

Zilver

Respiration*

1,8

Yin et al 2005

 

 

 

Respiration*

5,4

Yin et al 2005

 

 

 

Uitgangspunt voor PNEC

2

 

100**

0,02

*remming van het electron transport system geverifieerd met metingen van de oxygen uptake rate.

**TGD; Assessment factor 100 based on EC50 for respiration.

 

 

2.3              Vaststelling van de PEC

 

Blootstelling RWZI en oppervlaktewater bij toepassing in drinkwaterleidingsystemen

 

RWZI en oppervlaktewater

In de risicobeoordeling is uitgegaan van een concentratie van 400 μg/L koper en 40 μg/L zilver. Het betreft hier een reële schatting van de initiële waarden voor koper- en zilvergehaltes. De gehanteerde dosering ligt onder de normen voor drinkwater (voor koper respectievelijk 1000 μg/L en voor zilver 50 μg/L), en boven de door de aanvrager voorgestelde gemiddelde dosering van 224 μg/L Cu en 23 μg/L Ag berekend op basis van de laboratorium analyses van 10 ATECA locaties, gecorrigeerd voor meting nul-situatie.

 

Ook zonder koper-/zilverionisatie zijn drinkwaterleidingen door afgifte van koper een belangrijke emissiebron naar oppervlaktewater, hetgeen o.a. blijkt uit een TNO-rapport op basis van een case studie voor ’s Hertogenbosch (Hulskotte et al., 2007). De afgifte van koper uit waterleidingen is geschat 14,8 mg/inwoner.dag, waarbij deze bron verantwoordelijk was voor ruim 50% van de kopervracht geloosd op de RWZI. Uitgaande van het gemiddeld drinkwaterverbruik per dag, kan een achtergrondconcentratie van koper in drinkwater van 119 μg/L worden berekend.

 

Emissie via de RWZI naar oppervlaktewater en sediment is de primaire emissieroute voor de toepassing van het middel in drinkwaterleidingsystemen. Voor een schatting van het waterverbruik in prioritaire instellingen ten opzichte van het totaal watergebruik zijn geen officiële gegevens beschikbaar. Gegevens voor waterverbruik in prioritaire instellingen zijn beschikbaar op basis van een schatting geleverd door de aanvrager. Hieruit blijkt dat prioritaire instellingen goed zijn voor ca. 2,3% van het NL waterverbruik. De verwachting is dat niet alle prioritaire instellingen koper-/zilverionisatie zullen inzetten als middel voor Legionella-bestrijding, omdat 1) niet alle prioritaire instellingen met Legionella besmet zijn (de aanvrager heeft voor verschillende categorieën prioritaire instellingen gegevens geleverd voor het aantal besmettingen) en 2) omdat er alternatieve electrochemische technieken naast koper-/zilverionisatie beschikbaar zijn (door aanvrager geschat marktaandeel koper-/zilverionisatie 62%). Op basis van deze gegevens kan berekend worden dat naar verwachting 16% van het watergebruik in prioritaire instellingen door middel van koper-/zilverionisatie zal worden behandeld. Hiermee vertegenwoordigt het volume van met koper-/zilverionisatie behandeld water 0,37% van het NL drinkwaterverbruik.

 

Onuitgewerkt in de ESD voor PT11 is een onderbouwing en defaultwaarden voor het aantal te verwachtte installaties in een regio en de daaraan gekoppelde verdunning naar het oppervlaktewater.

Omdat emissies van koper en zilver naar het milieu puntlozingen betreffen, die lokaal plaatsvinden, is de risicobeoordeling gebaseerd op een scenario-benadering met 1 prioritaire instelling welke loost op een standaard RWZI. Op basis van een gemiddeld gebruik van 20 000 m3/jaar per instelling (KIWA 2006), een RWZI van 10 000 ie en een gemiddeld drinkwater gebruik van 0,2 m3/ie, kan worden berekend dat 2,7% van de volumebelasting van de RWZI zal bestaan uit met koper-/zilverionisatie behandeld water.

Dit getal kan worden geïllustreerd met een ziekenhuis als voorbeeld. Ziekenhuizen zijn grote instellingen met een collectieve drinkwaterinstallatie. USES (RIVM, 2001) hanteert als default voor een gemiddeld ziekenhuis een bezetting van 300 bedden. Binnen dit USES scenario vertegenwoordigt het ziekenhuis 3% van de volumetrische belasting van de standaard RWZI (10 000 ie).  

 

Het gemiddeld drinkwatergebruik in Nederland is 124 L per persoon per dag (TNS-NIPO, 2005). De gemiddelde waterafvoer op de RWZI, inclusief de afvoer van regenwater, wordt geschat op 200 L per persoon per dag.(RIVM, 2001). Op basis van deze gegevens is een schatting gemaakt van de concentraties koper en zilver in de keten drinkwater --> RWZI --> oppervlaktewater/sediment. Een schatting voor de milieuconcentraties in de diverse compartimenten is vermeld in Tabel M.5.

 

Tabel M.5.   Berekening PECrwzi, PECwater, PECsediment bij toepassing in drinkwater.

 

 

Koper (Cu)

Zilver (Ag)

 

 

μg/L*

Μg/L*

Dosering drinkwater

 

400

40

Fcu/ag tov totaal

2.7 %

 

 

Fdrinkwater in afvalwater

0,67 (=134/200)

 

 

RWZIinf

 

10,8

1,1

Verwijderingsrendement RWZI

Cu: 0.90

Ag: 0.90

 

 

RWZIefl

 

1,1

0,11

Fafvalwater in oppervlaktewater

10%

 

 

Sorptie op suspended solids conform TGD**

 

 

 

Oppervlaktewater

 

0,11

0,011

Sediment

 

5,3 mg/kg dwt

1,1 mg/kg dwt

*totaal metaalgehalte.

**Cu berekend obv Kd=50 000 L/kg; Ag berekend obv Kd= 100 000 L/kg

 

Voor de verwijdering van koper in de RWZI zijn kwalitatief goede gegevens beschikbaar (CBS, 2006). Uit de CBS-gegevens blijkt een aanzienlijke toename van het verwijderingsrendement voor koper in de afgelopen twintig jaar (van 70% in 1981 tot 94% in 2006). De stijging van het rendement is gekoppeld aan een toename van de verblijftijd in de zuiveringsinstallaties.

 

Voor zilver zijn geen CBS-gegevens beschikbaar voor het verwijderingsrendement in een RWZI en is gebruik gemaakt van gegevens uit de openbare literatuur. Dat zilververwijdering substantieel is, kan geconcludeerd worden uit de hoge partitioning coëfficiënt (sorptie) en het lage oplosbaarheidsproduct van Ag2S. Literatuurgegevens geven een zilververwijdering gemeten bij 5 public-owned RWZI’s van 95% (range 92-99%; Shafer et al.,1998). Oudere data geven een gemiddeld verwijderingsrendement voor communale rwzi’s van 33-63% en voor RWZI’s met industriële lozingen 80-99% (Lytle, 1984).

Op basis van bovenstaande gegevens is gekozen voor het gebruik in de risico-evaluatie van een verwijderingsrendement van 90%, voor zowel koper als zilver. Hierbij is voorbij gegaan aan het voorstel van de aanvrager voor een verwijderingsrendement van 93,6  voor Cu (obv gegevens van het CBS) en 95% voor Ag (obv bovenstaande studie voor 5 public-owned RWZI’s). Zoals uit de gegevens blijkt, is het verwijderingsrendement afhankelijk is van lokale condities.

 

 

Blootstelling RWZI, oppervlaktewater, lucht en bodem bij toepassing in kleine open-recirculerende koelwatersystemen

In de ESD voor PT11 worden verschillende typen koelwatersystemen onderscheiden, waarvoor scenario’s zijn uitgewerkt. Daarnaast is er voor PT02 een draft emissiescenario beschikbaar voor desinfectie van air condition systems, gebaseerd op de PT11 scenario’s.

Op basis van het geïnstalleerd vermogen geschat door de industrie (brief tweede kamer) is aansluiting gezocht bij kleine open recirculerende koelwatersystemen met een water volume van globaal 300 m3 en een geschatte blowdown flowrate van 2 m3/h.

Omdat emissies van koper en zilver naar het milieu puntlozingen betreffen, die lokaal plaatsvinden, is de risicobeoordeling gebaseerd op een scenario-benadering met 5 kleine open recirculerende koelwatersystemen welke lozen op een standaard RWZI (5 x 2 = 10 m3/h). Een vertaling van het geïnstalleerd vermogen voor Nederland (3000 kleine koeltorens van 750 kW en 1000 koeltorens van 4000 kW) naar een standaard RWZI zou neer komen op een belasting ter grootte van globaal 1 klein open recirculerend koelwatersysteem, zoals gedefinieerd in de ESD. 3000 stuks 750 kW koelwatersystemen met ieder een geschatte blowdown flowrate van 0,29 m3/h en 1000 stuks 4000 kW koelwatersystemen met ieder een geschatte blowdown flowrate van 1,5 m3/h op een bevolking van 16 miljoen mensen, betekent voor een standaard RWZI een debiet van 0,54 m3/h  + 0,96 m3/h =1,5 m3/h (indikkingsfactor = 5). De keuze voor 5 kleine open recirculerende koelwatersystemen als scenariobenadering, vertegenwoordigt een veiligheidsfactor voor lokale variatie in geïnstalleerd vermogen en verschillen in de indikkingsfactor tussen installaties.

Uitgaande van een blowdown flowrate van 2 m3/uur voor kleine recirculerende koelwatersystemen en 5 systemen per 10000 ie, kan berekend worden dat deze systemen een bijdrage leveren 12% van de volume belasting van de RWZI.

 

In koelwatersystemen wordt waterkoeling gebruikt voor de realisatie van warmteafgifte. Waterkoeling vindt plaats aan de lucht waarbij verdamping een belangrijk mechanisme is.

In open-recirculerende koelwatersystemen circuleert koelwater in een open loop.

Waterverliezen zijn het gevolg van evaporatie (=verdamping) en drift (verwaaien van druppeltjes). De mate van verdamping en drift is afhankelijk van de inrichting van het koelsysteem.

Gezien de lage dampspanning van koper en zilverionen, is de emissie van metaalionen naar de lucht via verdamping minimaal. Drift leidt tot verwaaiing van waterdruppels, welke in samenstelling gelijk zijn aan het koelwater. Voor kleine open-recirculerende koelwatersystemen wordt emissie via lucht naar bodem in de ESD verwaarloosbaar geacht.

Daarnaast dient, om scaling te voorkomen, continue een deel van het water in het koelwatercircuit te worden vervangen, waarbij emissie van blowdown water optreedt. Lozing van blowndown water kan plaatsvinden direct op het oppervlaktewater of via een RWZI.

 

Tabel M.6.  Karakteristieken PT11 scenario’s voor koelwatersystemen.

Parameter

 

Open-doorstroomde koelwater-systemen

Open-recirculerende koelwater-systemen

Open-recirculerende koelwate-rsystemen

Gesloten koelwater-systemen

 

 

 

large

small

 

Volume water in systeem

m3

6000

3000

300

30

Blowdown flowrate

m3/h

24000

125

2

0,0004

Recirculating cooling water flowrate

m3/h

24000

9000

100

 

Dosing interval

 

continuous

continuous

continuous

continuous

HRT

h

0,25

24

150

75000

Fraction evaporated +drift

-

0,01

0,01

-

 

Fraction deposited to soil

-

0,00025

0,00025

0,00025*

 

Soil surface where deposition occurs

m2

100

100

100*

 

Number of cooling towers per site

-

2

2

1

 

 

 

De aanvraag is beperkt tot toepassing in koelwater in natte koeltorens (open recirculerende koelwatersystemen) met emissie naar de RWZI tot een capaciteit van 4 MW.

 

Tabel M.7.   Berekening PECrwzi, PECwater, PECsediment en emissie naar bodem bij toepassing in open-recirculerende koelwatersystemen met emissie via RWZI.

Parameter

 

Open-recirculerende koelwate-rsystemen

Open-recirculerende koelwate-rsystemen

 

 

Small

small

 

 

Cu

Ag

Concentration of ai in blowdown

µg/l

400

40

RWZI à oppwater

 

 

 

PECrwzi*

µg/l

4,8

0,48

PECwater**

µg/l

0,41

0,035

PECsed

µg/kg dwt

4403

759

Emissie bodem

via

Lucht

 

Release to air

kg/h

-

-

Dose ai deposited to soil

g/m2.h

-

-

*PECrwzi betreft het effluent van de RWZI, uitgaande van 5 kleine open-recirculerende koelwatersystemen per 10000 ie. Verwijderingsrendement koper = 90%, zilver = 90%.  

**Verdunningsfactor voor emissie van RWZI effluent op oppervlaktewater is 0,10. Sorptie van a.s. op suspended solids is berekend conform TGD op basis van Kp. 

 

De geschatte concentraties koper en zilver in oppervlaktewater bij de toepassing in kleine open-recirculerende koelwatersystemen is een factor 3-4 hoger dan bij toepassing in drinkwaterleidingsystemen.

 

 

2.4              Monitoringgegevens

De geschatte milieuconcentraties in oppervlaktewater ten gevolge van de toepassing van koper-/zilverionisatie zijn in dezelfde orde van grootte als in de literatuur gerapporteerde achtergrondconcentraties voor deze metalen. De milieuconcentratie in oppervlaktewater ten gevolge van koper-/zilverionisatie wordt geschat op 0,11 Cu μg/L en 0,011 Ag μg/L voor toepassing in drinkwater (Tabel M.5.) en 0,41 Cu μg/L en 0,035 Ag μg/L voor toepassing in koelwater (Tabel M.7.). Achtergrondconcentraties voor koper en zilver in Nederlands oppervlaktewater staan vermeld in onderstaande tabel.

 

Tabel M.8.   Achtergrondconcentraties koper en zilver in Nederlands oppervlaktewater.

Cu   (µg/L)

 

 

 

Oppervlaktewater, totaal

1,1

µg/L

(Crommentuijn et al., 1997)

Oppervlaktewater, opgelost

(na filtratie over 0,45 μm)

0,44

µg/L

(Crommentuijn et al., 1997)

Gemeten gemiddelde concentraties voor Nederlandse grote rivieren (n>2000)

2,6

 

µg/L

(Schrap et al., 2007)

 

 

 

 

Ag   (µg/L)

 

 

 

Gemeten gemiddelde concentraties voor Nederlandse grote rivieren (n>1000)

0,003

 

µg/L

(Schrap et al., 2007)

 

 

 

 

3. Effecten op milieu

 

Inleiding

Voor de beoordeling van het risico van metaalionen wordt het totaal opgelost metaalgehalte als maatgevende concentratie genomen. De fractie die niet gebonden is door sorptie aan suspended solids (in oppervlaktewater) of sediment (in sediment), wordt beschouwd als opgeloste metaalionen. Speciatie van metaalionen en bioligand modelling (BLM) is niet in de risicobeoordeling betrokken, omdat de methodiek geen deel uitmaakt van het door het Ctgb gehanteerd beoordelingskader. Reguliere guidance documenten voor milieurisicoevaluaties als het HTB en de TGD (Technical Guidance Document, 2003) bevatten geen guidance om in hogere tier het risico te verfijnen op basis van speciatie en bioligand modelling.

Uit verschillende studies blijkt dat de toxiciteit voor metaalionen beter correleert met de vrije ionconcentratie dan met het totaal opgelost metaalgehalte, hetgeen wordt verklaard door het feit dat met name het vrije metaalion biologisch beschikbaar en biologisch actief is. Een risicobeoordeling op basis van het totaal opgelost metaalgehalte kan gezien worden als een worst case benadering, omdat in ecotoxtesten bij blootstelling in een labtest met synthetisch medium de concentratie vrije metaal ionen over het algemeen hoger is dan in het natuurlijk milieu. 

 

 


3.1 Water

3.1.1a   Risicoschatting voor waterorganismen

Toepassing in drinkwaterleidingsystemen

Voor de beoordeling van het risico voor waterorganismen is de normoverschrijding voor koper berekend op basis van de norm (PNECwater) afgeleid op basis van de studies in het dossier beschikbaar bij het Ctgb en de veiligheidsfactoren conform de TGD. Voor zilver is gebruik gemaakt van het MTTwater.

 

Tabel M.9.   Normoverschrijdingsfactoren voor waterorganismen bij toepassing in drinkwater.

w.s.

PEC

mg/L

PNECwater

mg/L

Overschrijding

Cu

0,11 x 10-3

0,95 x 10-3*

0,11

 

 

 

 

Ag

0,011 x 10-3

0,08 x 10-3*

0,13

Combitox

 

 

0,24

 

Wanneer de overschrijdingen voor de blootstelling van aquatische organismen in ogenschouw worden genomen, blijkt een gering risico. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor waterorganismen.

 

Toepassing in koelwatersystemen

Voor de beoordeling van het risico voor waterorganismen bij de toepassing in koelwatersystemen is de normoverschrijding voor koper en zilver berekend op basis van het MTTwater, voor koper en zilver respectievelijk 1,1 en 0,082 ug/l.

 

Tabel M.10.   Normoverschrijdingsfactoren voor waterorganismen bij toepassing in open-recirculerende koelwatersystemen met emissie via RWZI.

w.s.

PEC

mg/L

PNECwater

mg/L

Overschrijding

Cu

0,41 x 10-3

1,1 x 10-3*

0,37

 

 

 

 

Ag

0,035 x 10-3

0,08 x 10-3*

0,43

Combitox

 

 

0,80

 

Wanneer de overschrijdingen van de norm voor de blootstelling van aquatische organismen, vermeld in bovenstaande tabel, in ogenschouw worden genomen, blijkt dat de toepassing in kleine open-recirculerende koelwatersystemen met emissie via de RWZI voldoen aan de norm voor waterorganismen.

 

3.1.1b   Risicoschatting voor sedimentorganismen

Toepassing in drinkwaterleidingsystemen

 

Tabel M.11.   Normoverschrijdingsfactoren voor sedimentorganismen bij toepassing in drinkwater.

w.s.

PEC

mg/kg ds

PNECsediment

mg/kg ds

Overschrijding

Cu

5,3*

0,43

12,4

 

 

 

 

Ag

-

-

0,13**

 

 

 

 

* berekend obv EqP en Kd=50 000 L/kg

** Aangezien zowel de blootstelling (PEC) als de norm (PNEC) voor sediment obv equilibrium partitioning uit de waterconcentratie zijn berekend, is de PEC/PNEC ratio voor sedimentorganismen gelijk aan PEC/PNEC ratio voor waterorganismen.  

 

Wanneer de overschrijdingen voor de blootstelling van sedimentorganismen aan koper, vermeld in bovenstaande tabel, in ogenschouw worden genomen, blijkt de toepassing van het middel in drinkwaterleidingen niet voldoet aan de norm voor sedimentorganismen.

 

Wanneer we als hogere tier benadering de PEC voor koper toetsen aan het MTTsediment (MTT = 37 mg/kg ds), dan blijkt de normoverschrijding voor koper kleiner dan 1 (PEC/MTT = 5,3/37 = 0,14).

 

Uitgaande van combinatietoxiciteit bij blootsstelling aan koper en zilver, blijkt de normoverschrijding voor sedimentorganismen kleiner dan 1 (0,14 + 0,13 = 0,27).

Wanneer de overschrijdingen voor de blootstelling van sedimentorganismen in ogenschouw worden genomen, blijkt een gering risico. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor waterorganismen.

 

Toepassing in koelwatersystemen

Voor de beoordeling van het risico voor sedimentorganismen in koelwatersystemen is de normoverschrijding voor koper en zilver berekend op basis van het MTTsediment voor koper en zilver, respectievelijk 37 en 5,5 mg/kg dwt. Daar het MTTsediment is afgeleid van het MTTwater op basis van equilibrium partitioning, is de overschrijding van de norm voor waterorganismen en sedimentorganismen gelijk. In onderstaande tabel zijn de normoverschrijdingen weergegeven.

 

Tabel M.12.   Normoverschrijdingsfactoren voor sedimentorganismen bij toepassing in open-recirculerende koelwatersystemen met emissie via RWZI.

w.s.

PEC

mg/kg ds

PNECsediment

mg/kg ds

Overschrijding

Cu

-

-

0,37*

 

 

 

 

Ag

-

-

0,43*

Combitox

 

 

0,80

*Aangezien zowel de blootstelling (PEC) als de norm (PNEC) voor sediment obv equilibrium partitioning zijn berekend, is de PEC/PNEC ratio voor sedimentorganismen en aquatische organismen gelijk.     

 

Wanneer de overschrijdingen van de norm voor de blootstelling van sedimentorganismen, vermeld in bovenstaande tabel, in ogenschouw worden genomen, blijkt dat de toepassing in kleine open-recirculerende koelwatersystemen met emissie via de RWZI voldoen aan de norm voor sedimentorganismen.

 

3.1.2 Risico voor functie RWZI

Toepassing in drinkwaterleidingsystemen

 

Voor de evaluatie van het risico voor micro-organismen in de RWZI is de PNEC getoetst aan de PEC voor het influent van de RWZI, waarbij sorptie buiten beschouwing is gelaten.

 

Tabel M.13.   Normoverschrijdingsfactoren voor micro-organismen in de RWZI bij toepassing in drinkwater.

w.s.

PEC

mg/L

PNECrwzi

mg/L

Overschrijding

Cu

0,011

0,02

0,5

Ag

0,0011

0,02

0,1

Combitox 

 

 

0,6

 

Wanneer de overschrijdingen voor de blootstelling van micro-organismen in de RWZI, vermeld in bovenstaande tabel, in ogenschouw worden genomen, blijkt de toepassing van het middel Bifipro in drinkwaterleidingen voldoet aan de norm voor micro-organismen in de RWZI. Bij de toepassing van het middel volgens de gebruiksaanwijzing worden geen significante effecten op de biologie van de RWZI verwacht. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor micro-organismen in een RWZI.

 

N.B. In praktijk zal een belangrijk deel van de koper- en zilverionen niet biologisch beschikbaar zijn. De gekozen benadering representeert een sterke overschatting van de toxiciteit, zoals blijkt uit het hoge zuiveringsrendement in de RWZI en de partitioning coëfficiënten voor sorptie.

 

 

Toepassing in koelwatersystemen

Voor de beoordeling van het risico voor micro-organismen in de RWZI bij toepassing in koelwatersystemen is de normoverschrijding voor koper en zilver berekend op basis van de PNEC voor koper en zilver, respectievelijk 0,02 en 0,02 mg/l. In onderstaande tabel zijn de normoverschrijdingen weergegeven.

 

Tabel M.14.   Normoverschrijdingsfactoren voor micro-organismen in de RWZI bij toepassing in open-recirculerende koelwatersystemen met emissie via RWZI.

w.s.

PEC

Mg/L

PNECrwzi

mg/L

Overschrijding

Cu

4,8 x 10-3

0,02

  0,020*

Ag

0,48 x 10-3

0,02

<0,001*

Combitox 

 

 

  0,02

* PECrwzi betreft het effluent van de RWZI.

    

Wanneer de overschrijdingen van de norm voor de blootstelling van micro-organismen in de RWZI, vermeld in bovenstaande tabel, in ogenschouw worden genomen, blijkt dat de toepassing in kleine open recirculerende koelwatersystemen voldoet aan de norm voor micro-organismen in de RWZI.

 

 

 

 

 

3.1.3 Toetsing grondwatercriterium

Toepassing in drinkwaterleidingsystemen

Aangezien de toepassing van het middel beperkt is tot prioritaire instellingen wordt aangenomen dat relevante emissies naar bodem en grondwater zijn uitgesloten. Onderhavige toepassing behoeft geen toetsing aan de norm voor uitspoeling naar het grondwater. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor uitspoeling naar het grondwater.

 

Toepassing in koelwatersystemen

In de ESD voor PT11 (ESD PT11 Preservatives for liquid cooling and processing systems) worden verschillende typen koelwatersystemen onderscheiden, waarvoor scenario’s zijn uitgewerkt. Voor kleine open-recirculerende koelwatersystemen wordt de emissie via lucht naar bodem verwaarloosbaar geacht. Relevante emissies naar bodem en grondwater kunnen daarom worden uitgesloten. Onderhavige toepassing behoeft geen toetsing aan de norm voor uitspoeling naar het grondwater. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor uitspoeling naar het grondwater.

 

 

3.1.4 Toetsing drinkwatercriterium

Uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 19 augustus 2005 (Awb 04/37) volgt dat het Ctgb bij een toelating, op grond van de wetenschappelijke en technische kennis, aan de hand van de ingediende gegevens bij de aanvraag, ook aan het drinkwatercriterium ten aanzien van voor drinkwater bestemd oppervlaktewater moet toetsen om vast te stellen of de toepassing van het middel niet tot overschrijding leidt van de norm voor oppervlaktewater bestemd voor de bereiding van drinkwater. Voor de verspreiding en het gedrag van het middel in oppervlaktewater is geen rekenmodel beschikbaar. Mogelijk beschikbare gegevens kunnen hierdoor niet adequaat worden verwerkt. Het is derhalve niet mogelijk te komen tot een wetenschappelijk verantwoorde vaststelling van een verwachting omtrent dit criterium. Het Ctgb heeft niet het instrumentarium meegekregen om het oppervlaktewater waaruit drinkwater wordt gewonnen aan het drinkwatercriterium te toetsen. Om evenwel tegemoet te komen aan de uitspraak - waaruit is op te maken dat het Ctgb zich dient in te spannen om te komen tot een oordeel over dit punt - en als overgangsperiode, ter voorkoming dat geen enkele toelating meer kan worden afgegeven in de periode dat een model wordt ontwikkeld en gegevens gegenereerd moeten worden voor de toelatingsaanvraag, heeft het Ctgb bezien of het onderhavige middel en de werkzame stof aanleiding zou kunnen zijn voor zorg omtrent het drinkwatercriterium.

 

Middelen op basis van de werkzame stof koper zijn reeds enige decennia op de markt. Hetzelfde geldt voor middelen op basis van de werkzame stof zilver. Deze periode is voldoende om aan te nemen dat het marktaandeel van deze middelen zich heeft kunnen ontwikkelen.

Uit de algemene wetenschappelijke kennis die het Ctgb heeft achterhaald over het middel Bifipro en de werkzame stoffen is het Ctgb van oordeel dat er in dit geval geen concrete aanwijzingen zijn voor zorg omtrent de gevolgen van dit middel bij gebruik conform het gebruiksvoorschrift voor oppervlaktewater waaruit drinkwater wordt gewonnen. In het licht van deze benadering verwacht het Ctgb geen overschrijding van de norm voor oppervlaktewater bestemd voor de bereiding van drinkwater zoals vastgelegd in de RGB.

 

 

3.2 Bodem

 

3.2.1 Risico voor bodemorganismen

Toepassing in drinkwaterleidingsystemen

Aangezien de toepassing van het middel beperkt is tot prioritaire instellingen wordt aangenomen dat relevante emissies naar bodem zijn uitgesloten. Onderhavige toepassing behoeft geen toetsing aan de norm voor bodemorganismen. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor bodemorganismen.

 

Toepassing in koelwatersystemen

In de ESD voor PT11 worden verschillende typen koelwatersystemen onderscheiden, waarvoor scenario’s zijn uitgewerkt. Voor kleine open-recirculerende koelwatersystemen wordt emissie via lucht naar bodem verwaarloosbaar geacht. Relevante emissies naar bodem en grondwater kunnen daarom worden uitgesloten. Onderhavige toepassing behoeft geen toetsing aan de norm voor bodemorganismen. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor bodemorganismen.

 

 

3.2.2 Toetsing persistentiecriterium

Metaalionen zijn anorganische verbindingen welke gezien de aard van de verbindingen niet voldoen aan de afbreekbaarheid triggers gedefinieerd voor persistentie.

Bij toepassing van het middel in prioritaire instellingen worden relevante emissies naar bodem en grondwater niet voorzien. Onaanvaardbare accumulatie van koper en zilver in bodem kan worden uitgesloten 

In de ESD voor PT11 worden verschillende typen koelwatersystemen onderscheiden, waarvoor scenario’s zijn uitgewerkt. Voor kleine open-recirculerende koelwatersystemen wordt emissie via lucht naar bodem verwaarloosbaar geacht. Relevante emissies naar bodem kunnen daarom worden uitgesloten.

Derhalve wordt voldaan aan het persistentiecriterium voor bodem.

 

 

3.3 Lucht

 

3.3.1 Toetsing criteria luchtkwaliteit

Metaalionen zijn niet of nauwelijks vluchtig. Toelatingseisen met betrekking tot lucht hebben een algemeen karakter en zijn niet nader aangeduid in de vorm van een getalsmatige norm. Derhalve worden effecten op de luchtkwaliteit slechts meegewogen bij de besluitvorming over een biocide voor zover deze kunnen worden voorzien. Vooralsnog zal de beoordeling van mogelijke effecten op de luchtkwaliteit zich beperken tot aantasting van de ozonlaag. Gezien de geringe vluchtigheid van de metaalionen is emissie naar lucht te verwaarlozen. Onderhavige toepassing behoeft geen toetsing aan de norm voor luchtkwaliteit. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor luchtkwaliteit.

 

3.4 Overige niet-doelorganismen

 

3.4.1a   Risico voor vogels & zoogdieren

Voor koper-/zilverionisatie in drinkwaterleidingen wordt rechtstreekse blootstelling van vogels en zoogdieren niet waarschijnlijk geacht. Voor doorvergiftiging is de route water-vis-vogel, en water-vis-zoogdier relevant.

 

Het risico op doorvergiftiging van vogels en zoogdieren door consumptie van b.v. vissen wordt berekend op basis van een schatting van de werkzame stof concentratie in vissen en deze te vergelijken met de norm voor de concentratie in voer bij chronische blootstelling van vogels en zoogdieren. De werkzame stof concentratie in vissen wordt geschat aan de hand van de maximale PEC in oppervlaktewater en de BCF voor vissen.

 

Voor bioconcentratie van koper is slechts een beperkte set gegevens aanwezig, zo zijn studies met vissen ondervertegenwoordigd. In de risicobeoordeling is gebruik gemaakt van een geometrische gemiddelde veld-BCF van 1017 L/kg voor tweekleppigen (n=11) (Smit et al., 2000).

Data voor bioconcentratie van zilver duiden op een groot verschil in accumulatie tussen de verschillende soorten waterorganismen, zo varieert de BCF van 0 - 330 L/kg voor oa. vissen, daphnia, bruinalgen en mosselen, maar worden ook waarden gerapporteerd voor tweekleppigen van 2300 (scallops) en 18 700 L/kg (oysters) (WHO, 2002). 

 

Opname en distributie van metaalionen in organismen verschilt fundamenteel van bioaccumulatie zoals plaatsvindt bij accumulatie van lipofiele organische verbindingen in biota. Metaalionen zijn chemische elementen met natuurlijke oorsprong, waarbij de opname door organismen mede wordt bepaald door de natuurlijke achtergrondconcentratie. Organismen hebben voor metalen verschillende fysiologische mechanismen ter beschikking waarmee de homeostase van het intracellulair milieu kan worden geregeld. Van essentiële metalen (zoals koper) is bekend dat deze elementen actief worden opgenomen, zodat ook bij lage externe concentraties kan worden voldaan aan de vereisten van het celmetabolisme. Van zilver is bekend dat bij hoge blootstellingniveaus, zilver wordt geïmmobiliseerd in de cel als bv. zilversulfide. Onderhuidse depositie van zilver uit zich als pigmentering van de huid (argyria). Het is bekend dat deze reguleringsmechanismen voor intracellulaire metaalconcentraties gepaard kunnen gaan met hoge BCF-waarden zonder dat dit leidt tot effecten op populatieniveau.

 

Voor de evaluatie van doorvergiftiging en accumulatie is metaalspeciatie van groot belang. In de risicobeoordeling is uitgegaan van eindpunten voor orale toediening van zilvernitraat. Zilvernitraat is zeer goed oplosbaar en daarom zeer goed biobeschikbaar. In de voedselketen, in vissen en mosselen etc. is zilver niet aanwezig als zilvernitraat en heeft geïmmobiliseerd in de cel een beduidend lagere biobeschikbaarheid (Amiard, 2008).

 

Uitgangspunt voor de beoordeling van het risico voor vogels en zoogdieren is het voorspellen van de gevolgen van doorvergiftiging op populatieniveau. De gebruikelijke aanpak is gebaseerd op de overweging dat populatie-effecten niet zullen optreden als de survival rate, reproduction rate en ontwikkeling van individuen niet wordt beïnvloed. Voor doorvergiftiging zijn daarom in principe alleen toxiciteit-eindpunten die verband houden met populatie-effecten, ecotoxicologisch relevant. Argyria en verkleuring van organen hebben geen populatie-effect en eindpunten gebaseerd op deze sub-toxische effecten hebben daarom niet de voorkeur. Per definitie wordt de NOAEL gebaseerd op het meest gevoelige eindpunt van de test. In een verfijnde beoordeling kan het noodzakelijk zijn voor de overschrijdingen te controleren wat de ecologische relevantie is van de effecten die ten grondslag liggen aan de gekozen NOAEL.

 

Voor koper zijn eindpunten voor doorvergiftiging van vogels en zoogdieren beschikbaar in het openbare dossier, waarvoor de eindpunten zijn geëvalueerd en samengevat.

 

Gegevens over de toxiciteit van zilver voor vogels en zoogdieren zijn aanwezig in de openbare literatuur (ATDRS, 1990; EPA, 1992; WHO, 1996; WHO, 2002; Ratte, 1999). De beschikbare eindpunten echter, zijn relatief oud en weinig bruikbaar voor een kwantitatieve risicoevaluatie. Gerapporteerde effecten zijn vaak niet ecologisch relevant (geen sublethale effecten met impact op de populatiedynamiek). Routes via welke organismen worden blootgesteld zijn vaak niet relevant (bv. orale toediening via voedsel en drinkwater naast intraveneuze toediening en dermale adsorptie). Blootstellingduur is vaak relatief kort en lijkt afhankelijk van de proefresultaten gekozen. De onderzochte testverbindingen en de gekozen proefdieren kenmerken zich door een grote variatie in samenstelling en soorten.

 

Informatie met betrekking tot de opname, distributie, en het daaropvolgende lot van zilver opgenomen door vogels en zoogdieren duidt erop dat het merendeel van het ingenomen zilver snel wordt uitgescheiden (primair via de feces) en dat er weinig wordt opgenomen. De retentie van zilver in organismen door voedselopname is relatief laag (Ratte, 1999; ADRS, 1990; Amiard, 2008).

 

Standaard modelstudies voor zilver naar orale chronische blootstelling van vogels en zoogdieren met een ecologisch relevant effect op populatieniveau, ontbreken in de openbare literatuur. Een nadere analyse van deze gegevens heeft geleid tot een hoger eindpunt dan het humaan toxicologisch eindpunt voor argyria bij mensen bij levenslange orale blootstelling (Gaul & Staud, 1935).

 

Bij gebrek aan een NOAEL (no observed adverse effect) uit een standaard studie is voor zoogdieren uitgegaan van een worst case benadering en is de norm afgeleid op basis van een muizenstudie waarbij zilvernitraat gedoseerd is aan drinkwater gedurende 37 weken. In de studie zijn geen toxische effecten geconstateerd op populatieniveau (wel hypoactivity). Voor hypoactivity onder real-life condities kunnen effecten op populatieniveau niet op voorhand worden uitgesloten. De norm is bepaald op basis van een body weight / daily food intake conversion factor van 8.3 en een AForal van 30 (conform TGD).

 

Voor doorvergiftiging van vogels is uitgegaan van een norm gebaseerd op een LC50 > 2250 mg Ag/kg voor Bobwhite quail (14 dagen) en een AForal van 3000.

 

 

Tabel M.15.   Toxiciteitsgegevens en PNEC vogels

Stof

Organisme

laagste waarde

[mg w.s./kg voer]

Veiligheids-factor

PNEC

[mg w.s/kg food]

Koper

Kip

200 = NOEC

30

6,7

Zilver

Bobwhite quail

2250 mg/kg =LD50 (EPA, unspecified compound))

3000

0,75

 

Tabel M.16.   Toxiciteitsgegevens en PNEC zoogdieren

Stof

Organisme

laagste waarde

[mg w.s./kg bw.d]

F(bw/dfi)

Veiligheids-factor*

PNEC

[mg w.s/kg food]

Koper

Rat

5 = NOAEL

10

90

0,55

Zilver

Muis, 37 wkn

18*

8,3

30

5,0

* Bij gebrek aan een NOAEL (no observed adverse effect) in een standaard studie is de norm afgeleid op basis van een muizenstudie waarbij zilvernitraat gedoseerd is aan drinkwater gedurende 37 weken zonder directe effecten op populatieniveau (wel hypoactivity).

 

 

Toepassing in drinkwaterleidingsystemen

 

Tabel M.17.   Berekening PECoral bij toepassing in drinkwater

w.s.

PECwater

mg/L

BCF

L/kg

 

 

PECoral

mg/kg food

Cu

0,11 x 10-3

1017

 

 

0,11

Ag

0,011 x 10-3

330

 

 

0,0035

 

0,011 x 10-3

18700

(worst case)

 

0,197

 

 

 

 

 

 

 

Tabel M.18.   Risico op doorvergiftiging voor vogels en zoogdieren bij toepassing in drinkwater

Risico

Stof

PECoral

mg w.s./kg food

PNECoral

mg w.s/kg food]

PEC/PNEC

 

Vogels

Koper

0,11

6,7

0,02

 

Zilver

0,0035

0,75

<0,01

 

 

0,197   (worst case)

0,75 

0,26

 

 

 

 

 

Zoogdieren

Koper

0,11

0,55

0,20

 

Zilver

0,0035

5,0

<0,01

 

 

0,197   (worst case)

5,0

0,04

 

Wanneer de overschrijdingen voor het risico op doorvergiftiging van vogels en zoogdieren, vermeld in bovenstaande tabel, in ogenschouw worden genomen, blijkt dat de toepassing van het middel voldoet aan de norm voor vogels en zoogdieren.

 

 


Toepassing in koelwatersystemen

 

Tabel M.19.   Berekening PECoral bij toepassing in open-recirculerende koelwatersystemen met emissie via RWZI.

w.s.

PECwater

mg/L

BCF

L/kg

 

 

PECoral

mg/kg food

Cu

0,41 x 10-3

1017

 

 

0,41

Ag

0,035 x 10-3

330

 

 

0,012

 

0,035 x 10-3

18700

(worst case)

 

0,65

 

 

 

 

 

 

 

Tabel M.20.   Risico op doorvergiftiging voor vogels en zoogdieren bij toepassing in open-recirculerende koelwatersystemen met emissie via RWZI.

Risico

Stof

PECoral

mg w.s./kg food

PNECoral

mg w.s/kg food]

PEC/PNEC

 

Vogels

Koper

0,41

6,7

0,06

 

Zilver

0,012

0,75

0,02

 

 

0,65 (worst case)

0,75 

0,87

 

 

 

 

 

Zoogdieren

Koper

0,41

0,55

0,75

 

Zilver

0,012

5,0

<0,01

 

 

0,65 (worst case)

5,0

0,13

 

Wanneer de overschrijdingen voor het risico op doorvergiftiging van vogels en zoogdieren, vermeld in bovenstaande tabel, in ogenschouw worden genomen, blijkt dat de toepassing van het middel voldoet aan de norm voor vogels en zoogdieren.

 

 

3.4.2   Risico voor bioconcentratie in waterorganismen

Opname, distributie en bioconcentratie van metaalionen in organismen verschilt fundamenteel van bioaccumulatie zoals plaatsvindt bij lipofiele organische verbindingen in biota. In de voedselketen, in vissen en mosselen etc., zijn metalen vaak beperkt beschikbaar (Amiard, 2008). Een risico voor doorvergiftiging van vogels en zoogdieren kan worden uitgesloten. Het risico voor bioconcentratie van koper en zilver wordt gering geacht. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor bioconcentratie.

 

 

Restricties

Capaciteit en grootte van koeltorens varieert sterk tussen diverse sectoren (b.v. chemische industrie, voedingsmiddelenindustrie, ijzer- en staalindustrie, raffinaderijen, elektriciteitscentrales). Voorliggende toepassing heeft met name betrekking op de institutionele sector, waar relatief kleine koeltorens geplaatst zijn. In de risicobeoordeling is daarom uitgegaan van een maximale capaciteit van 4 MW.

 

 

Conclusie m.b.t. milieu

Geconcludeerd kan worden dat:

1.      Onderhavige toepassing voldoet aan de norm voor waterorganismen.

2.      Onderhavige toepassing voldoet aan de norm voor sedimentorganismen.

3.      Onderhavige toepassing voldoet aan de norm voor oppervlaktewater bestemd voor de bereiding van drinkwater.

4.      Onderhavige toepassing behoeft geen toetsing aan de norm voor uitspoeling naar het grondwater.

5.      Onderhavige toepassing voldoet aan de norm voor persistentie in bodem.

6.      Onderhavige toepassing behoeft geen toetsing aan de norm voor luchtkwaliteit.

7.      Onderhavige toepassing behoeft geen toetsing aan de normen voor regenwormen en bodemmicro-organismen.

8.      Onderhavige toepassing voldoet aan de normen voor doorvergiftiging van vogels

9.      Onderhavige toepassing voldoet aan de normen voor doorvergiftiging van zoogdieren.

10.  Onderhavige toepassing voldoet aan de normen voor bioaccumulatie.

11.  Onderhavige toepassing voldoet aan de norm voor micro-organismen in een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

 

 

Etikettering

 

Voorstel voor classificatie van koper- en zilverionen met betrekking tot milieu eigenschappen

 

De werkzame stoffen worden in situ gevormd. Daarom wordt er geen etiketvoorstel voor de werkzame stoffen opgesteld.

 

Voorstel voor classificatie en etikettering formulering(en) met betrekking tot het milieu

 

Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de geleverde formuleringstoxicologie voor het middel (metaal in vaste vorm) en de eigenschappen van de hulpcomponenten, wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:

 

Gevaarsymbool:

-

Aanduiding:

-

R-zinnen

-

-

 

 

 

S-zinnen

-

-

Specifieke vermeldingen

(DPD-zin):

DPD-14

Inlichtingenblad aangaande de veiligheid is voor de professionele gebruiker op aanvraag verkrijgbaar.

 

 

 

 

 


Referenties

Bronnen gebruikt voor het opstellen van het milieuprofiel van de werkzame stoffen zijn gebaseerd op documenten aangeleverd door de aanvrager en andere reeds bij het Ctgb beschikbare (openbare) literatuur.

 

  1. Allison JD, Allison TL, 2005. Partition coefficients for metals in surface water, soil, and waste. U.S. EPA report EPA/600/R-05/074.
  2. Amiard et al (2008). Bioaccesibility of essential and non-essential metals in commercial shellfish from Western Europe and Asia. Food and Chemical Toxicology 46, pp2010-2022
  3. ATSDR (Agency for Toxic Substances and Disease Registry). 1990. Toxicological profile for silver. Atlanta, GA: U.S. Department of Health and Human Services, Public Health Service
  4. CSR Adviesrapport 08886a01. 2002. Koper(I)oxide. Risicobeoordeling voor het milieu. J.A. de Knecht, C.E. Smit, R.J. Hansler, E.M.J. Verbruggen, P.L.A. van Vlaardingen, R. Posthumus. 26 november 2002
  5. Crommentuijn, T, Polder MD, van de Plassche EJ,  1997, Maximum Permissible Concentrations and negligible concentrations for metals, taking background concentrations into account. RIVM Rapport 601501001.
  6. EPA (1992). R.E.D. Facts Silver. Reregistration Eligibility Document. Silver.
  7. Gaul LE, Staud AH. 1935. Clinical spectroscopy. Seventy cases of generalized argyrosis following organic and colloidal silver medication. Journal of the American Medical Association, 104:1387-1390.
  8. Hulskotte, J.H.J.; Jongbloed, R.H.; de Vries, P; Appelman, W.A.J. en Heslinga D.C. , 2007. Afvalwaterketenonderzoek (AKON). Emissiebronnen, maatregelen en effecten op oppervlaktewater in het verzorgingsgebied van twee RWZI’s in het beheersgebied van waterschap Aa en Maas. TNO.
  9. Kanne, P, 2005, Watergebruik thuis 2004. TNS-NIPO. Rapportage in opdracht van VEWIN.

10.  KIWA, 2006. Evaluatie van praktijktesten met alternatieve technieken voor Legionella-preventie. Eindrapport. P. 124

  1. Lytle P. 1984. Fate speciation of silver in publicly owned treatment works. Environmental Toxicology and Chemistry, 3: 21-30
  2. Narita, Takahashi and Shaoji 2005. Rapid Activated sludge respiration inhibition test performed by CO2 producing rate using a carbon dioxide sensor., J. of Environm. Science and Health;
  3. Neumegen. R.A., Fernandez-Alba, A. R., Chisti Y., 2005 Toxicities of triclosan, Phenol, and copper sulphate in activated sludge. Environmental Toxicology. Vol. 20(2) pp 160-164
  4. van de Plassche E, van de Hoop M, Posthumus R, Crommentuijn T, 1999, Risk limits for boron, silver, titanium, tellurium, uranium and organosilicon componds in the framework of EU Directive 76/464/EEC.
  5. Ratte, HT (1999). Bioaccumulation and toxicity of silver compounds: a review. Environmental Toxicology and Chemistry, 18(1), pp 89-108
  6. RIONED, 2009. Riool in cijfers 2009-2010. Stichting RIONED.
  7. RIVM, 2001, Emission scenarios for all 23 product types of the Biocidal Products Directive (EU Directive 98/8/EC) RIVM report 601450009, P. van der Poel and J. Bakker

18.  Schrap MS et al. 2007. Vergeten metalen in Nederlandse rijkswateren, Rijkswaterstaat Waterdienst WD rapport: 2008.034.

  1. Shafer, MM, Overdier, JT and Armstrong, DE . 1998. Removal, Partitioning and Fate of Silver and Other Metals in Wastewater Treatment Plants and Effluent-Receiving Streams ; Environmental Toxicology and Chemistry, Vol. 17, 630-641.
  2. Smit CE, Wezel AP van, Jager T, Traas TP. 2000. Secondary poisoning of cadmium, copper and mercury: implications for the Maximum Permissible Concentrations and Negligible Concentrations in water, sediment and soil. RIVM. Rapport 601501009
  3. World Health Organisation. (1996) Silver in drinking-water. Background document for development of WHO Guidelines for Drinking Water Quality.
  4. World Health Organisation, 2002. Concise International Chemical Assessment Document 44. Silver And Silver Compounds: Environmental Aspects. First draft prepared by Mr P.D. Howe and Dr S. Dobson, Centre for Ecology and Hydrology, Monks Wood, United Kingdom (http://www.inchem.org/documents/cicads/cicads/cicad44.htm)
  5. Yin J, Tan CJ, Ren NQ, Cui YB, Tang L, 2005; Evaluation of heavy metal inhibition of activated sludge, Water Science & Technology 52(8), 231-239.

 


 

Identificatie van eindpunten voor zilver

 

Inleiding

Zilver is een scheikundig element met symbool Ag en atoomnummer 47. Zilver staat in het periodiek systeem net als koper in de groep transitiemetalen. Zilver komt voor in de oxidatiestaat Ag0 (metallisch) en Ag1+; andere mogelijke valenties zijn Ag2+ en Ag3+. In tegenstelling tot koper, dat in het algemeen als tweewaardig ion voorkomt, heeft het meest voorkomende zilver-ion de valentie 1+.

Speciatie van metaalionen en bioligand modelling (BLM) is niet in de risicobeoordeling betrokken, omdat de methodiek geen deel uitmaakt van het door het Ctgb gehanteerd beoordelingskader. Reguliere guidance documenten voor milieurisicoevaluaties als het HTB en de TGD (Technical Guidance Document, 2003) bevatten geen guidance om in hogere tier het risico te verfijnen op basis van speciatie en bioligand modelling. Een risicobeoordeling op basis van het totaal opgelost metaalgehalte kan gezien worden als een worst case benadering, omdat bij blootstelling in een labtest met synthetisch medium de concentratie vrije metaal ionen over het algemeen hoger is dan in het natuurlijk milieu. 

Milieu-effecten voor Ag+ zijn sterk afhankelijk van de speciatie. Fysisch-chemische en ecotoxicologische eindpunten hebben voor een belangrijk deel betrekking op AgNO3. In schoon water zal AgNO3 vrijwel volledig zijn gedissocieerd, met als gevolg dat zilver als vrije Ag+ ionen in oplossing aanwezig is. In het milieu zal Ag+ worden gecomplexeerd door aanwezigheid van anionische liganden, van zowel organisch als anorganisch oorsprong, zoals dissolved organic carbon (DOC), sulfide, chloride en thiosulfaat. Speciatie is van grote invloed op de milieu-effecten, omdat deze complexen over het algemeen beduidend minder giftig zijn dan ionisch Ag+.  

In verband met speciatie spelen ook redoxcondities een belangrijke rol. Zo zal Ag+ in natuurlijk water onder anaerobe condities een neerslag vormen met het aanwezige sulfide (S2-) of worden omgezet naar metalisch zilver. In het sediment wordt het zilver geïmmobiliseerd, aangezien sedimenten meest anoxisch zijn. Onder zuurstofrijke condities ka Ag+ weer in oplossing komen, wanneer aanwezig sulfide wordt omgezet in sulfaat.

In zeewater zijn Ag+concentraties in vergelijking met zoetwater extreem laag, dit als gevolg van de hoge Cl- concentratie in zeewater en de lage oplosbaarheid van AgCl.

 

Gedrag in grond

Adsorptie

Voor de evaluatie van sorptie aan bodem en uitspoeling zijn gegevens uit de openbare literatuur beschikbaar. Sorptie gegevens voor zilver met betrekking tot “Gedrag in grond” zijn vermeld onder “Gedrag in water”. Op basis van deze gegevens is gekozen voor het gebruik in de risico-evaluatie van een log Kd voor grond van 2.6 L/kg.

 


 

Gedrag in water

Adsorptie

Voor de evaluatie van sorptie van zilverionen aan gesuspendeerd materiaal en sediment zijn gegevens uit de openbare literatuur beschikbaar.

Zilver

Log Kd

Log Kd

Log Kd

 

L/kg

L/kg

L/kg

 

Bodem

Sediment

Suspended solids

 

2.1

4.8

5.0

Plassche, E van de, et al., 1999

2.6   (1.0-4.5) n=21

3.6 (2.1-5.8) n=?

4.9   (4.4-6.3) n=15

Allison JD, Allison TL 2005.

 

 

 

 

Op basis van bovenstaande gegevens is gekozen voor het gebruik in de risico-evaluatie van een partitioning coëfficiënt voor zilver van log Kd = 2.6 L/kg (398 L/kg) voor bodem, 4.8 L/kg (67 000 L/kg) voor sediment en 5.0 L/kg (100 000) voor suspended solids.

 

Een mogelijk artefact in de bepaling van de verdelingscoeficient voor zilver bij een anoxische matrix (sediment/actief slib) is dat de verdeling over de vaste en de vloeibare fase in belangrijke mate gedicteerd wordt door de lage oplosbaarheid van Ag2S en daarmee geen directe weerspiegeling is van de sorptie. Ongeacht het mechanisme, sorptie of neerslagvorming, geldt dat de verwijdering van zilver in een RWZI substantieel is. Literatuurgegevens geven een zilververwijdering gemeten bij 5 public-owned rwzi’s van 95% (range 92-99%; Shafer et al.,1998). Oudere data geven een gemiddeld verwijderingsrendement voor communale rwzi’s van 33-63%  en voor RWZI’s met industriele lozingen 80-99% (Lytle, 1984).

Op basis van bovenstaande gegevens is gekozen voor het gebruik in de risico-evaluatie van een verwijderingsrendement van 90%

 

Bioconcentratie

Gegevens betreffende bioconcentratie zijn geïnventariseerd in een studie van Howe & Dobson (2002) gepubliceerd onder sponsorship van het United Nations Environment Programme, the International Labour Organization, or the World Health Organization. Een ‘quote’ met de belangrijkste bevindingen uit deze studie is hieronder weergegeven.

“The ability to accumulate dissolved silver varies widely between species. Some reported bioconcentration factors for marine organisms (calculated as milligrams of silver per kilogram fresh weight organism divided by milligrams of silver per litre of medium) are 210 in diatoms, 240 in brown algae, 330 in mussels, 2300 in scallops, and 18 700 in oysters, whereas bioconcentration factors for freshwater organisms have been reported to range from negligible in bluegills (Lepomis macrochirus) to 60 in daphnids; these values represent uptake of bioavailable silver in laboratory experiments. Laboratory studies with the less toxic silver compounds, such as silver sulfide and silver chloride, reveal that accumulation of silver does not necessarily lead to adverse effects. At concentrations normally encountered in the environment, food-chain biomagnification of silver in aquatic systems is unlikely.”

Op basis van bovenstaande gegevens kan worden geconcludeerd dat BCF-waarden voor zilver in het algemeen kleiner zijn dan de trigger van 2000, echter voor tweekleppigen (scallops en oysters) kan de trigger worden overschreden.

 

Op basis van bovenstaande gegevens is gekozen in de risico-evaluatie het risico voor doorvergiftiging door te rekenen aan de hand van een BCF van 300 voor vis en 18700 voor  oesters.

 

Monitoringgegevens

Montoringsgegevens met milieuconcentraties van zilver zijn slechts incidenteel aanwezig.

 

Toxicologie

Toxiciteit voor aquatische organismen

Gegevens betreffende de toxiciteit van zilver voor aquatische organismen zijn o.a. beschikbaar in een studie van het RIVM (2005) en de WHO (2002). In de risicobeoordeling is uitgegaan van het RIVM rapport omdat de gepresenteerde normen, afgeleid volgens de MTR methodiek, direct kunnen worden toegepast in de risicobeoordeling. Een overzicht van de normen staat vermeld in onderstaande tabel.

 

Zilver

MTR*

MTT

Achtergrond

concentratie

 

freshwater

-

0.082

-

μg/L

Zeewater

-

1.2

-

μg/L

Sediment**

-

5.5

-

mg / kg dw

Bodem

-

0.010

-

mg / kg dw

*MTR: Maximaal Toelaatbaar Risico; MTT: Maximaal Toelaatbare Toevoeging

** obv EqP uitgaande van Kd = 67 000 L/kg

 

Toxiciteit voor sediment organismen

Zie toxiciteit voor aquatische organismen

 

Toxiciteit voor vogels en zoogdieren

Toxiciteitsgegevens voor zoogdieren zijn beschikbaar in een aantal reviews (ATDRS, 1990; EPA, 1992; WHO, 1996; WHO, 2002; Ratte, 1999)

 

Een NOAEL is gerapporteerd voor weanling swine (EPA, 1992), gevoerd met een dieet van 0.2% zilver(acetaat) (52 mg/kg/dag) gedurende 4 weken (bij 130 mg/kg/dag sterfte bij 3 van de 4 testorganismen).

Additionele gegevens (EPA, 1992) zijn gerapporteerd voor zilvernitraat:

  Muis, geen toxisch effect (wel zilverdepositie in de nier) bij een drinkwater dosering equivalent aan 65 mg/kg/dag gedurende 12-14 weken (Rungby & Danscher, 1984).

  Rat, geen toxisch effect bij een drinkwater dosering equivalent aan 65 mg/kg/dag gedurende 12 weken. De laagste concentratie met geconstateerd effect was 130 mg/kg/dag op basis van zilverdepositie in de nier (Day et al.; 1976).

  Rat, geen toxisch effect (wel zilverdepositie in de nier) bij een dosering equivalent aan 63,5 mg/kg/dag gedurende 218 dagen (Olcott, 1948).

  Muis, geen toxisch effect (wel hypoactivity) bij een drinkwater dosering equivalent aan 18 mg/kg/dag gedurende 37 weken (259 dagen) (Rungby & Danscher, 1984).

  Rat, growth retardation, deposition of silver in the eyes en death bij een drinkwater dosering equivalent aan 222 mg/kg/dag gedurende 37 weken (259 dagen) (Matuk et al 1981).

  Rat, geen toxisch effect (wel zilverdepositie in de nier) bij een dosering equivalent aan 63,5 mg/kg/dag gedurende 553 dagen (Olcott, 1947).

 

Standaard modelstudies met orale chronische blootstelling van zoogdieren met een ecologisch relevant effect op populatieniveau, ontbreken in de openbare literatuur. Voor de weanling swine studie zijn onvoldoende gegevens beschikbaar met betrekking tot de ‘daily food intake’  en ‘body weight’ om deze zelfstandig te gebruiken als eindpunt voor doorvergiftiging van zoogdieren. Voor de additionele studies geldt dat gerapporteerde effecten geen invloed hebben op populatieniveau en bijbehorende blootstelling moet gezien worden als ondergrens voor de NOAEL.

Bij gebrek aan een NOAEL (no observed adverse effect) uit een standaard studie is voor zoogdieren uitgegaan van een worst case benadering en is de norm afgeleid op basis van een muizenstudie waarbij zilvernitraat gedoseerd is aan drinkwater gedurende 37 weken. In de studie zijn geen toxische effecten geconstateerd op populatieniveau (wel hypoactivity). Voor hypoactivity onder real-life condities kunnen effecten op populatieniveau niet op voorhand worden uitgesloten. De norm is bepaald op basis van een body weight / daily food intake conversion factor van 8.3 en een AForal van 30 (conform TGD). De AForal van 30 verdisconteert zowel interspecies variatie als lab-to-field extrapolatie voor predatoren en de extrapolatie van acute / subchronische naar chronische blootstelling.

 

Toxiciteitsgegevens voor vogels zijn beschikbaar in een studie op de EPA-website. Het betreft een indoor laboratoriumstudie met Northern bobwhite quail (Colinus virginianus). 18-weeks oude dieren zijn oraal blootgesteld aan capsules met zilver gedurende 14 dagen (EPA, anonymous (2000). 14-day LC50 > 2250 mg Ag/kg. Additionele gegevens voor vogels zijn beschikbaar in een ATSDR-studie. “Jonge kalkoenen (Meleagris gallopavo) op een dieet met 900 mg zilver/kg voer gedurende 4 weken hadden een vergroot hart en verminderde groei, hemoglobine- en hematocrietwaarden (US EPA, 1980). Nadelige gevolgen van zilver (toegediend als zilvernitraat) worden gemeld voor normale kuikens gevoerd op een dieet met 200 mg zilver/kg voer (growth surpression) of drinkwater met een zilverconcentratie van 100 mg/liter (levernecrose) (Smith & Carson, 1977).

 

Standaard modelstudies met orale blootstelling van vogels met een eindpunt voor zilver gebaseerd op chronische blootstelling en een ecologisch relevant effect op populatieniveau, ontbreken in de openbare literatuur. In de risicobeoordeling is uitgegaan van een PNEC op basis van een LC50 > 2250 mg Ag/kg voor Bobwhite quail en een AForal van 3000. Betreffend eindpunt wordt gezien als het best beschikbare eindpunt. De AForal van 3000 verdisconteert zowel interspecies variatie als lab-to-field extrapolatie voor predatoren en de extrapolatie van acute / subchronische naar chronische blootstelling.

 

 

Identificatie van eindpunten voor de koper

 

Inleiding

Speciatie van metaalionen en bioligand modelling (BLM) is niet in de risicobeoordeling betrokken, omdat de methodiek geen deel uitmaakt van het door het Ctgb gehanteerd beoordelingskader. Reguliere guidance documenten voor milieurisicoevaluaties als het HTB en de TGD (Technical Guidance Document, 2003) bevatten geen guidance om in hogere tier het risico te verfijnen op basis van speciatie en bioligand modelling. Een risicobeoordeling op basis van het totaal opgelost metaalgehalte kan gezien worden als een worst case benadering, omdat bij blootstelling in een labtest met synthetisch medium de concentratie vrije metaal ionen over het algemeen hoger is dan in het natuurlijk milieu. 

 

Gedrag in grond

Voor de evaluatie van sorptie aan bodem en uitspoeling zijn gegevens uit de openbare literatuur beschikbaar. Sorptiegegevens voor koper met betrekking tot “Gedrag in grond” zijn vermeld onder “Gedrag in water”. Op basis van deze gegevens is gekozen voor het gebruik in de risico-evaluatie van een log Kd van 2.99 L/kg.

 

Gedrag in water

 

Adsorptie aan suspended solids en sediment

Voor de evaluatie van sorptie van koperionen aan gesuspendeerd materiaal en sediment zijn gegevens uit de openbare literatuur beschikbaar.

Koper

Log Kd

Log Kd

Log Kd

 

L/kg

L/kg

L/kg

 

Bodem

Sediment

Suspended solids

 

2.99

4.53

4.70

Crommentuijn et al., 1997

2.7   (0.1-3.6) n=20

4.2   (0.7-6.2) n=12

4.7   (3.1-6.1) n=70

Allison JD, Allison TL 2005.

 

 

 

 

Voor de evaluatie van koper wordt gebruik gemaakt van de partitie-coëfficienten zoals die in het kader van het project Integrale Normstelling Stoffen worden gehanteerd (Crommentuijn et al., 1997): de log Kd sediment = 4,53 L/kg (34.000 L/kg) en de log Kd suspended solids =  4,70 L/kg (50.000 L/kg).

 

Bioconcentratie

Voor koper zijn er voor vissen geen betrouwbare bioconcentratiefactoren (BCF-waarden) beschikbaar. Voor tweekleppigen is gebruik gemaakt van de geometrische gemiddelde veld-BCF van 1017 L/kg wwt (Smit et al., 2000).

 

Monitoringgegevens

In rijkswateren worden koperconcentraties van gemiddeld 1,4 - 6,7 µg/L gevonden (RIVM, Basisdocument Koper, 1990). Op basis van deze gegevens is door Crommentuijn et al. (1997) een achtergrondconcentratie gehanteerd van 1.4 µg/L voor de vaststelling van het MTR.

De gemeten waarden zijn voor een gedeelte afkomstig van koperhoudende aangroeiwerende verven. Geschat wordt dat de bijdrage 80% is (Hoorprocedure CTGB met Provincie Noord-Holland, 6 augustus 1997). In het Basisdocument Koper wordt voor sediment in rijkswateren 25-253 mg koper/kg gerapporteerd. Meer gegevens staan vermeld in C63_3_08.

In een studie van Rijkswaterstaat (Schrap et al., 2007) wordt voor koper een waarde van 2,6 µg/L aangegeven als de gemeten gemiddelde concentratie voor Nederlandse grote rivieren.

 

Gedrag in lucht

 

Omzettingssnelheid en omzettingsroute in lucht

Er zijn geen gegevens over de dampspanning en vluchtigheid van koper. Koper is een metaal waarvoor een lage dampspanning verwacht wordt <10-6 Pa. Gezien de toepassing wordt het gedrag van koper in lucht niet van belang geacht.

 

 

Toxicologie

 

Toxiciteit voor aquatische organismen

Voor de risicobeoordeling zijn studies met 52 soorten zoetwaterorganismen en 56 soorten zoutwaterorganismen geselecteerd. De laagste NOEC is 0,05 µg/L (gecorrigeerd voor achtergrondconcentratie), resulterend in een norm in de 1e Tier van 0,005 µg/L. De gevoeligheid van zout- en zoetwaterorganismen voor koper is nagenoeg hetzelfde.

Derhalve zijn de data voor beide groepen samengevoegd (108 soorten uit 10 taxonomische groepen).

In de 2e Tier is op basis van deze data met de statistische extrapolatie-methode van Aldenberg & Jaworska de HC5 berekend. De HC5 is 0,95 µg/L (95% CI: 0,59 – 1,43 µg/L); deze is gebaseerd op toegevoegd totaal opgelost koper. Hierbij is de totaal concentratie gecorrigeerd voor de achtergrondconcentratie.

Additionele gegevens betreffende de toxiciteit van koper zijn beschikbaar in een studie van het RIVM (Crommentuijn, 1997). Een overzicht van de normen staat vermeld in onderstaande tabel. Bij de afleiding van de risiconiveaus voor metalen wordt rekening gehouden met het feit dat metalen van nature in het milieu voorkomen. Dit wordt gedaan door de toegevoegde risicobenadering te hanteren. Bij deze benadering wordt de hoeveelheid stof bepaald, de Maximaal Toelaatbare Toevoeging (MTT), die door antropogene activiteiten kan worden toegevoegd aan bodem, water of sediment zonder dat ontoelaatbare ecosysteem-effecten te verwachten zijn. De MTT-waarden worden op een vergelijkbare wijze als MTR’s afgeleid).

 

Koper

MTR*

MTT

Achtergrond

concentratie

 

freshwater

1.5

1.1

0.44

μg/L

Zeewater

1.4

1.1

0.25

μg/L

Sediment**

73

37

36

mg / kg dw

Bodem

40

3.5

36

mg / kg dw

*MTR: Maximaal Toelaatbaar Risico; MTT: Maximaal Toelaatbare Toevoeging

** obv EqP

 

 

Toxiciteit voor sediment organismen

Voor koper is een laagste NOEC (11 soorten uit 5 taxonomische groepen) gevonden van
0,2 mg/kg zandig sediment, gecorrigeerd voor de achtergrond concentratie.  Op basis hiervan wordt een PNEC berekend van 0,02 mg/kg. Deze waarde is zeer laag in vergelijking tot het natuurlijk achtergrondgehalte. In een hogere TIER is met behulp van de geselecteerde chronische data voor 11 soorten afkomstig uit 5 taxonomische groepen de HC5 bepaald voor de toegevoegde concentratie  0,43 mg/kg (95% betrouwbaarheidsinterval : 0,03 – 1,87 mg/kg). Daarnaast is door het RIVM een MTT afgeleid van 37 mg/kg (Crommentuijn, 1997) betreffende de toxiciteit van koper voor sedimentorganismen (zie bovenstaande tabel).

 

Toxiciteit voor vogels en zoogdieren

Bij de risicobeoordeling van dit middel wordt de route doorvergiftiging door het eten van gecontamineerde vis relevant geacht.

 

Vogels:

Voor vogels (kippen) is de optimale dosering van koper in voedsel 150 mg/kg. Concentraties > 200 mg/kg leiden tot verminderde voedselopname en gewichtsvermindering. De NOEC wordt derhalve op 200 mg/kg gesteld.

 

Zoogdieren:

De NOAEL van koper voor de rat bedraagt 340 mg/kg voer overeenkomend met 5 mg/kg lg/dag.

 

 

V         Conclusie

Het is aangetoond dat het middel Bifipro bij toepassing volgens het voorgestelde Wettelijk Gebruiksvoorschrift/Gebruiksaanwijzing werkzaam is en er geen onaanvaardbaar risico wordt verwacht voor de gezondheid van de mens, voor diegene die het middel toepast en voor het milieu.

 

 

VI        Etikettering

 

De etikettering wordt als volgt vastgesteld:

 

Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen):

-

Gevaarsymbool:

-

aanduiding:

-

R-zinnen

-

-

S-zinnen

-

-

Specifieke vermeldingen

(DPD-zin):

DPD-14

Inlichtingenblad aangaande de veiligheid is voor de professionele gebruiker op aanvraag verkrijgbaar.

Kinderveilige sluiting verplicht?

N.v.t.

Voelbare gevaarsaanduiding verplicht?

N.v.t.


 Bijlage 1: Eisen voor studies ten behoeve van aantonen van de werkzaamheid van een biocide dat gebruikt wordt voor desinfectie van drinkwater in Nederland.

 

Omdat in drinkwaterleidingen de bestrijding van Legionella bacteriën van groot belang is, worden voor biociden, die worden gebruikt voor de desinfectie van drinkwaterleidingen, de volgende eisen gesteld:

 

(A) Basis werkzaamheid

Er moet worden aangetoond dat het middel een log 5 reductie van Legionella kan bewerkstelligen. Dit kan met behulp van een laboratoriumtest (bijv. suspensietest met Legionella in drinkwater). Ter vervanging van de laboratoriumtest wordt ook een praktijktest geaccepteerd, indien in deze test met een hoge concentratie Legionella wordt gestart (min. 105 kve/l) en een log 5 reductie wordt aangetoond.

 

(B) Praktijktest

Voor middelen die langdurig en continu aan het water worden toegevoegd moet een praktijktoets worden aangeleverd die voldoet aan de volgende eisen:

2.1 Locaties

De praktijktest moet zijn uitgevoerd op minimaal 10 locaties. Locaties in het buitenland worden alleen geaccepteerd als de kwaliteit van het geleverde drinkwater bepaald is en dit water vergelijkbaar is met Nederlands drinkwater, dit te bepalen door het Ctgb. Afhankelijk van de complexiteit van de installaties kan het minimum worden verlaagd naar 5.

Uitsluitend locaties met minimaal 100 operationele tappunten (benedenstrooms van de apparatuur) komen in aanmerking. Een locatie betreft een collectieve leidingwaterinstallatie die behandeld wordt door de geplaatste apparatuur of het middel. Ook een gedeelte van een collectieve leidinginstallatie, bijv. een vleugel van een gebouw of alleen de warmwaterinstallatie dat door de apparatuur of het middel behandeld wordt, kan beschouwd worden als een proeflocatie, mits er minimaal 100 operationele tappunten zijn.

2.2 Duur van de test

Indien de apparatuur continu of discontinu in gebruik is (dus niet een eenmalige toepassing van een middel) is de duur van de proef per locatie 1 jaar, gerekend vanaf de eerste bemonsteringsronde na het opstarten van de geplaatste apparatuur.

2.3 Verschillende watertypen

Het is gewenst dat de locaties over het land verspreid zijn, zodat de apparatuur of het middel bij verschillende watertypen getest wordt. In dat kader dient informatie beschikbaar te zijn over de kwaliteit van het geleverde drinkwater op de verschillende locaties. In principe is deze informatie via het waterleidingbedrijf verkrijgbaar.

2.4 Legionella

Vooraf moet duidelijk zijn dat bij de te behandelen installatie sprake is van verhoogde aantallen Legionella-bacteriën. Daartoe dient informatie beschikbaar te zijn over (recente) problemen met betrekking tot Legionella, zoals resultaten van recent uitgevoerde metingen, uitgevoerde reiniging e.d..

2.5 Monsterpunten

Het aantal monsterpunten per locatie is afhankelijk van het aantal tappunten in de installatie, stroomafwaarts van de techniek. De onderstaande tabel is overgenomen uit bijlage G van het Waterleidingbesluit en is eveneens gehanteerd bij de VROM-pilot.

 

 

Aantal tappunten

Aantal monsterpunten

101 – 200

6

201 – 400

8

401 – 800

10

801 – 1600

12

> 1600

14

 

 

Alle monsterpunten dienen duidelijk en ondubbelzinnig te worden gecodeerd.

Bij elke bemonsteringsronde (zie meetfrequentie) worden steeds twee vaste tappunten bemonsterd, bij voorkeur een tappunt kort na de geplaatste techniek/apparatuur en een tappunt ver daarvan verwijderd.

De overige monsterpunten dienen bij elke bemonsteringsronde te variëren, tenzij er sprake is van een normoverschrijding voor één of meer parameters op een bepaald monsterpunt. In dat geval wordt het betreffende monsterpunt bij de eerstvolgende bemonsteringsronde nogmaals bemonsterd (het totaal aantal te bemonsteren monsterpunten blijft echter conform bovenstaande tabel).

De instellingen van de apparatuur ten tijde van de bemonstering moeten worden vastgelegd.

2.6 Effectiviteit

Ten behoeve van het vaststellen van de werkzaamheid (effectiviteit):

-          0-meting: meting van Legionella, totale hardheid, pH en werkzame stoffen vóór het in gebruik nemen van de apparatuur.

-          Legionella, maandelijks meten; normwaarde 100 kve/l (90%-percentiel met maximum 1000 kve/l);

-          Totale hardheid, Ca, Mg; een maal per kwartaal meten, afhankelijk van de variatie zonodig hogere frequentie;

-          pH, maandelijks meten op beide vaste monsterpunten, of gegevens verzamelen van metingen van het waterleiding bedrijf.

2.7 Werkzame stoffen en metabolieten (neveneffecten)

Ten behoeve van het vaststellen van de hoeveelheid werkzame stof in het water en eventuele schadelijke nevenproducten moeten de (neven)producten die voor het gebruikte middel van belang zijn maandelijks gemeten worden.

Voor koper/zilver oxidatie komt dat neer op:

·         koper, maandelijks meten; normwaarde 2 mg/l;

Opmerking: de techniek mag niet de volledige normwaarde voor koper opvullen i.v.m. de bijdrage van koper vanuit andere bronnen. Uitgegaan wordt van een verhoging van het kopergehalte door gebruik van de apparatuur met maximaal 1 mg/l.

·         zilver, maandelijks meten; normwaarde 50 μg/l (90 %-percentiel met maximum 100 μg/l)

2.8. Beoordelingscriteria per locatie

Voor de beoordeling van de meetresultaten voor alle monsterpunten per locatie worden de normwaarden, als genoemd in 2.6 en 2.7, gehanteerd.

2.9 Algemene eisen aan studierapporten

In iedere studie dient een goede beschrijving van materiaal (locatie, aantal tappunten, monsterpunten, historie met Legionella), methode (start datum, instelling van apparatuur) en resultaten (incl. 0-meting) te worden opgenomen. In het studierapport van de uitgevoerde praktijktesten dienen de resultaten per locatie te worden geïnterpreteerd. Bijzonderheden zoals bijvoorbeeld uitschieters boven de normwaarden, dienen te worden benoemd en verklaard. Het rapport dient te worden afgesloten met een conclusie.

 

(C) Apparatuur

Indien apparatuur gebruikt wordt om de juiste hoeveelheid werkzame stof aan het water toe te dienen moet worden aangegeven hoe deze apparatuur is beveiligd tegen over en onderdosering.