Het College voor de Toelating
van Bestrijdingsmiddelen,
overwegende, dat het besluit tot toelating van het middel
nr. 11483 N d.d 14 oktober 1994 dient te worden gewijzigd en het in verband daarmee
wenselijk is dit besluit in te trekken en daarom in de plaats, gelet op de
artikelen 3, 3a, 4 en
5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 288), het volgende besluit vast te
stellen,
§ I Toelating
§ II Samenstelling, vorm en afwerking
Onverminderd hetgeen omtrent de samenstelling, vorm en afwerking bij de Regeling samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen is bepaald, moeten:
§ III Gebruik
Het bestrijdingsmiddel mag slechts worden gebruikt met inachtneming van hetgeen in bijlage I dezes, onder A. is voorgeschreven.
§ IV Verpakking en etikettering
- aard van het preparaat: granulaat of korrel
- werkzame stof(fen): imidacloprid
- andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stof(fen):
- toxicologische groep(en):
- uiterste gebruiksdatum:
a. letterlijk en zonder enige aanvulling:
hetgeen in bijlage I dezes onder A. is vermeld.
b. hetzij letterlijk, hetzij naar zakelijke inhoud:
de in bijlage I dezes onder B. opgenomen tekst, met dien verstande, dat niet alle daarin aangegeven toepassingen behoeven te worden vermeld en de inhoud dier tekst slechts mag worden aangevuld met technische aanwijzingen voor een goede bestrijding, mits deze niet met die tekst in strijd zijn.
c. letterlijk en zonder enige aanvulling:
- Bijzondere gevaren:
Schadelijk bij opname door de mond.
- Veiligheidsaanbevelingen:
Buiten bereik van kinderen bewaren.
Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder.
Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik.
Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding.
d. Overeenkomstig artikel 15 van de Regeling samenstelling, indeling,
verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen moet op de verpakking als gevaarsymbool worden aangebracht: een Andreaskruis
met als onderschrift: “Schadelijk”.
e. bij het toelatingsnummer een cirkel met daarin de aanduiding W.7.
§ V Afleverings- opgebruiktermijnen
Niet conform dit
wijzigingsbesluit aangepaste verpakkingen mogen voor de periode van
23 januari 2004
tot 1 juni 2005
nog worden gebruikt en ten behoeve van het gebruiken voorhanden of in voorraad
worden gehouden.
Niet conform dit besluit aangepaste verpakkingen mogen voor de periode van 23 januari 2004 tot 1 januari 2005 nog worden verkocht, te koop of te ruil worden aangeboden, ter beschikking gesteld worden, geschonken alsmede uitgedeeld worden.
Dit besluit treedt inwerking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004.
Degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken kan gelet op artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt een bezwaarschrift indienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Een dergelijk bezwaarschrift dient te worden geadresseerd aan: Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, Postbus 217, 6700 AE WAGENINGEN.
HET
COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,
(voorzitter)
Aan:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN
BIJLAGE I bij het verlengings- en wijzigingsbesluit van het middel ADMIRE,
toelatingsnummer 11483 N
A.
WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT
Toegestaan is uitsluitend het gebruik als insectenbestrijdingsmiddel
|
a) |
in de teelt van appels en peren door middel van een gewasbehandeling met een maximum aantal behandelingen van totaal twee keer per seizoen, met dien verstande dat toepassing alleen is toegestaan vóór de bloei tot en met het muizenoorstadium alsmede na de bloei van appel en peer; |
|
b) |
in de teelt onder glas van aubergine, augurk, courgette, komkommer, tomaat en paprika, met dien verstande dat het middel slechts centraal met de voedingsoplossing c.q. door middel van directe kraanvak-injectie mag worden meegegeven, met dien verstande dat het middel op de dag van de oogst niet vóór de oogst mag worden toegepast; |
|
c) |
bij de opkweek van plantmateriaal onder glas van aubergine, augurk, courgette, komkommer, tomaat en paprika door middel van een gewasbehandeling; |
|
d) |
in de teelt onder glas van bloemisterijgewassen, ná de bloei, door middel van een gewasbehandeling en een druppelbehandeling; |
|
e) |
in de teelt van en ten behoeve van de teelt van lelie door middel van een gewasbehandeling en een dompelbehandeling, met dien verstande dat bloei moet worden voorkomen; |
|
f) |
in de teelt van overige bloemisterijgewassen in de vollegrond, ná de bloei, door middel van een gewasbehandeling; |
|
g) |
in de teelt van bloemisterijgewassen onder glas, ná de bloei, door middel van een gewasbehandeling; |
|
h) |
in de teelt van boomkwekerijgewassen en vaste planten door middel van een gewasbehandeling, met dien verstande dat toepassing alleen is toegestaan vóór de bloei tot het zichtbaar worden van de eerste bloemknoppen alsmede na de bloei. |
Dit middel is gevaarlijk voor bijen en hommels. Niet toegestaan is toepassing in bloeiende gewassen of in gewassen wanneer deze actief bezocht worden door bijen of hommels. Niet toegestaan is toepassing wanneer bloeiende onkruiden aanwezig zijn.
Veiligheidstermijn:
De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan:
2 weken voor appels en peren.
B.
GEBRUIKSAANWIJZING
Attentie:
Bijen kunnen actief vliegen op niet-bloeiende gewassen, bijvoorbeeld om
honigdauw te verzamelen die door luizen is afgescheiden.
Algemeen:
Admire is een systemisch middel, het middel wordt bij de druppelbehandeling
door de wortels opgenomen en bij de gewasbehandeling door de bladeren en
vervolgens in de plant verspreid. De werkingssnelheid wordt mede bepaald door
de activiteit van het gewas. Laat in geval van substraatteelt, voordat u het
middel toepast, het gewas de matten wat droogtrekken. Dit bevordert de opname.
Het middel dient met de voedingsoplossing te worden meegedruppeld.
Het verdient aanbeveling bij gebruik in siergewassen eerst door een proefbespuiting vast te stellen of de in aanmerking komende variëteiten het middel goed verdragen.
Toepassingen:
Appel en peer, ter bestrijding van de groene appelwants (Lygus pabulinus).
Bij aanwezigheid van larven van de groene appelwants, na de bloei, indien noodzakelijk, een bestrijding uitvoeren.
Dosering: 0,01%
Appel, ter bestrijding van de roze appelluis (Dysaphis plantaginea).
Bij aanwezigheid van ingekrulde luizen, na de bloei, indien noodzakelijk, een bestrijding uitvoeren. Indien in de zomer blijkt dat roze appelluis onvoldoende is bestreden, kan gedurende de zomer ook een bestrijding worden uitgevoerd. Ingekrulde luizen worden goed bestreden.
Dosering: 0,01%
Peer, ter bestrijding van de roze pereluis (Dysaphis pyri).
Bij aanwezigheid van de roze pereluis, na de bloei, indien noodzakelijk, een bestrijding uitvoeren.
Dosering: 0,01%
Peer, ter bestrijding van de vouwgalluis (Anuraphis farfarae).
Bij aanwezigheid van de vouwgalluis, na de bloei, indien noodzakelijk, een bestrijding uitvoeren.
Dosering: 0,01%
Appel, ter bestrijding van de groene appeltakluis (Aphis pomi).
Bij aanwezigheid van groene appeltakluis, na de bloei, indien noodzakelijk, een bestrijding uitvoeren.
Dosering: 0,01%
Appel, ter bestrijding van de fluitekruidluis (Dysaphis anthrisci).
Bij aanwezigheid van de fluitekruidluis, na de bloei, indien noodzakelijk, een bestrijding uitvoeren.
Dosering: 0,01%
Appel, ter bestrijding van de bloedvlekkenluis (Dysaphis devecta).
Bij aanwezigheid van bloedvlekkenluis, na de bloei, indien noodzakelijk, een bestrijding uitvoeren.
Dosering: 0,01%
Appel, ter bestrijding van de appel-grasluis (Rhopalosiphum insertum).
Bij aanwezigheid van appel-grasluis, na de bloei, indien noodzakelijk, een bestrijding uitvoeren.
Dosering: 0,01%
Peer, ter bestrijding van de zwarte pereluis (Melanaphis pyaria).
Bij aanwezigheid van zwarte pereluis, na de bloei, indien noodzakelijk, een bestrijding uitvoeren.
Dosering: 0,01%
Peer, ter bestrijding van de zwarte boneluis (Aphis fabae).
Op het moment van aanwezigheid van de kolonies van de zwarte boneluis, na de bloei, indien noodzakelijk, een bestrijding uitvoeren.
Dosering: 0,01%
Het middel toepassen met ruim water. Toevoeging van uitvloeier kan de effectiviteit verbeteren.
Aubergine, augurk, courgette, komkommer, tomaat en paprika op kunstmatig substraat onder glas, ter bestrijding van boterbloemluis (Aulacorthum solanii), groene en rode perzikluis (Myzus persicae), katoenluis (Aphis gossypii) en zwarte boneluis (Aphis fabae).
Zodra een aantasting wordt waargenomen een behandeling uitvoeren.
Dosering: 3,5 gram per 1.000 planten.
Aubergine, augurk, courgette,
komkommer, tomaat en paprika op kunstmatig substraat onder glas, ter
bestrijding van larven van kaswittevlieg (Trialeurodes vaporariorum).
Zodra een aantasting wordt waargenomen een behandeling uitvoeren.
Dosering: 14 gram
middel per 1000 planten
Het verdient aanbeveling middels een proefbehandeling vast te stellen of het
gewas de behandeling verdraagt.
Plantmateriaal van aubergine, augurk, courgette, komkommer, tomaat en paprika, ter bestrijding van boterbloemluis (Aulacorthum solanii), groene en rode perzikluis (Myzus persicae), katoenluis (Aphis gossypii) en zwarte boneluis (Aphis fabae).
Zodra een aantasting wordt waargenomen een behandeling uitvoeren.
Dosering: 100 gram per ha.
Bloemisterijgewassen onder glas in de grond, ter bestrijding van boterbloemluis (Aulacorthum solanii), groene en rode perzikluis (Myzus persicae), katoenluis (Aphis gossypii) en zwarte boneluis (Aphis fabae).
Zodra aantasting wordt waargenomen een gewasbehandeling uitvoeren.
Dosering: 0,01% (10 gram per 100 liter water).
Bloemisterijgewassen onder glas op kunstmatig substraat, ter bestrijding van boterbloemluis (Aulacorthum solanii), groene en rode perzikluis (Myzus persicae), katoenluis (Aphis gossypii) en zwarte boneluis (Aphis fabae).
Zodra een aantasting wordt waargenomen een behandeling uitvoeren.
Dosering: 3,5 gram per 1.000 planten.
Lelie (bloembollen- en bolbloementeelt), ter bestrijding van katoenluis (Aphis gossypii).
Zodra aantasting wordt waargenomen een gewasbehandeling uitvoeren. De behandeling indien nodig herhalen.
Dosering: 100 gram per ha.
Dompelbehandeling van bloembollen en bolbloemen
In deze gebruiksaanwijzing is voor de toepassingen voor bloembollenplantgoed steeds uitgegaan van een standaardontsmettingswijze waarbij gestreefd dient te worden naar minimale restanten door opgebruik. Voor de toegestane wijze van verwerken van restanten ontsmettingsvloeistof wordt verwezen naar de "Beschikking verwijdering dompelvloeistof bloembollen en -knollen".
Voor andere toepassingstechnieken (kort dompelen, schuimen e.d.) zullen afgeleide doseringen nodig zijn. Raadpleeg hiervoor de betreffende voorlichtingspublicaties waarin tevens is aangegeven hoe, overeenkomstig voornoemde Beschikking, de restanten kunnen worden verwerkt.
Lelie (plantgoed bloembollenteelt), ter bestrijding van katoenluis (Aphis gossypii).
Het plantgoed vóór het planten gedurende 15 minuten dompelen. Het plantgoed dient op het moment van behandeling in rust te zijn. Menging met fungiciden is mogelijk.
Dosering: 0,04% (40 gram per 100 liter water).
Lelie (plantgoed bolbloementeelt), ter bestrijding van katoenluis (Aphis gossypii).
Het plantgoed vóór bewaring gedurende 15 minuten dompelen. Het plantgoed dient op het moment van behandeling in rust te zijn. Menging met fungiciden is mogelijk.
Dosering: 0,04% (40 gram per 100 liter water).
Overjarige bloemisterijgewassen in de vollegrond, ter bestrijding van bladluizen: boterbloemluis, groene perzikluis (incl. de rode variant), zwarte boneluis en ter bestrijding van kaswittevlieg
Zodra een aantasting wordt waargenomen het middel door een gewasbehandeling toepassen.
Zonodig de bespuiting met een interval van 7-10 dagen herhalen.
Dosering: 0,01% ( 10 gram per 100 liter water)
Bloemisterijgewassen onder glas op kunstmatig substraat, ter bestrijding van bladluizen: boterbloemluis, groene perzikluis (incl. rode variant), katoenluis en zwarte boneluis.
Zodra een aantasting wordt waargenomen, een behandeling uitvoeren. Laat voordat het middel wordt toegepast, het gewas de matten wat droogtrekken. Dit bevordert de opname. Het middel dient met de voedingsoplossing te worden meegedruppeld.
Dosering: 3,5 gram per 1000 planten
Bloemisterijgewassen onder glas op kunstmatig substraat, ter bestrijding van kaswittevlieg
Zodra een aantasting wordt waargenomen, een behandeling uitvoeren. Laat voordat het middel wordt toegepast, het gewas de matten wat droogtrekken. Dit bevordert de opname. Het middel dient met de voedingsoplossing te worden meegedruppeld.
Dosering: 14 gram per 1000 planten
Bloemisterijgewassen onder glas, ter bestrijding van bladluizen: boterbloemluis, groene perzikluis (incl. de rode variant), katoenluis, zwarte boneluis en ter bestrijding van kaswittevlieg
Zodra een aantasting wordt waargenomen het middel door een gewasbehandeling toepassen.
Zonodig de bespuiting met een interval van 7-10 dagen herhalen. Bij kaswittevlieg kunnen meer dan twee bespuitingen noodzakelijk zijn.
Dosering: 0,01% ( 10 gram per 100 liter water)
Boomkwekerijgewassen en vaste planten onder glas, ter bestrijding van bladluizen: boterbloemluis, groene perzikluis (incl. rode variant), katoenluis, zwarte boneluis, gewone rozeluis, sjalotteluis en groene kortstaartluis.
Zodra een aantasting wordt waargenomen het middel door een gewasbehandeling toepassen.
Zonodig de bespuiting met een interval van 7-10 dagen herhalen.
Dosering: 0,01% ( 10 gram per 100 liter water)
Boomkwekerijgewassen en vaste planten in de vollegrond, ter bestrijding van bladluizen: boterbloemluis, groene perzikluis (incl. rode variant), zwarte boneluis, gewone rozeluis, sjalotteluis, groene kortstaart- luis, aardappeltopluis, zwarte kerseluis, groene appeltakluis, groene sparreluis, vogelkersluis en beukebladluis.
Zodra een aantasting wordt waargenomen het middel door een gewasbehandeling toepassen.
Zonodig de bespuiting met een interval van 7-10 dagen herhalen.
Dosering: 0,01% ( 10 gram per 100 liter water)
HET
COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,
(voorzitter)
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN
BIJLAGE II bij het verlengings- en wijzigingsbesluit van het middel ADMIRE,
toelatingsnummer 11483 N
Betreft een aanvraag tot verlenging van de toelating van het
middel ADMIRE
(19980460 TVG)een middel op basis van de werkzame stof imidacloprid, na 1
januari 2004. Het middel is uitsluitend toegelaten als
insectenbestrijdingsmiddel:
|
a) in de teelt van appels en peren door middel van een gewasbehandeling met een maximum aantal behandelingen van totaal twee keer per seizoen, met dien verstande dat toepassing alleen is toegestaan vóór de bloei tot en met het muizenoorstadium alsmede na de bloei van appel en peer; |
|
b) in de teelt onder glas van aubergine, augurk, courgette, komkommer, tomaat en paprika, met dien verstande dat het middel slechts centraal met de voedingsoplossing c.q. door middel van directe kraanvak-injectie mag worden meegegeven, met dien verstande dat het middel op de dag van de oogst niet vóór de oogst mag worden toegepast; |
|
c) bij de opkweek van plantmateriaal onder glas van aubergine, augurk, courgette, komkommer, tomaat en paprika door middel van een gewasbehandeling; |
|
d) in de teelt onder glas van bloemisterijgewassen, ná de bloei, door middel van een gewasbehandeling en een druppelbehandeling; |
|
e) in de teelt van en ten behoeve van de teelt van lelie door middel van een gewasbehandeling en een dompelbehandeling, met dien verstande dat bloei moet worden voorkomen; |
|
f) in de teelt van overige bloemisterijgewassen in de vollegrond, ná de bloei, door middel van een gewasbehandeling; |
|
g) in de teelt van bloemisterijgewassen onder glas, ná de bloei, door middel van een gewasbehandeling; |
|
h) in de teelt van boomkwekerijgewassen en vaste planten door middel van een gewasbehandeling, met dien verstande dat toepassing alleen is toegestaan vóór de bloei tot het zichtbaar worden van de eerste bloemknoppen alsmede na de bloei. |
Op grond van artikel 25d van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 heeft het CTB een lijst van werkzame stoffen vastgesteld. Deze is op 17 september 2002 gepubliceerd in de Staatscourant. De werkzame stof imidacloprid staat niet op deze lijst vermeld. De stof behoort daarmee tot de zogenoemde prioritaire stoffen (voorheen A stoffen).
De einddatum van de werkzame stof imidacloprid is 1 januari 2010.
Het middel ADMIRE, 11483 N, op basis van imidacloprid, expireert per 1 januari 2004.
Eerdere besluitvorming door het College
De stof imidacloprid is door het College besproken inC-104.3.13 (december 2000). Hierbij heeft het College besloten:
· om de toelatingen van de bestrijdingsmiddelen ADMIRE, AMIGO, GAUCHO en GAUCHO ROOD op basis van imidacloprid met 36 maanden te verlengen tot 1 januari 2004 op basis van art. 5, eerste lid Bestrijdingsmiddelenwet 1962 jo. art. 7, 5e lid RTB 1995, voor de duur van de afronding van de besluitvorming door het College.
·
in de verleende
verlengingstermijn dient het volgende te geschieden:
beantwoorden van aanvullende vragen door de aanvrager
afronden van de risicobeoordeling milieu door het Collegesecretariaat.
· De volgende aanvullende vragen dienen te worden beantwoord:
* standaardisatie van de lysimeterstudie. Hiervoor dient een DT50-waarde voor de lysimetergrond beschikbaar te komen en dient het vrijkomen van de stof vanuit het gebruik als zaadcoating op de juiste wijze te worden gesimuleerd.
* Voor de toepassingen als zaadbehandelingsmiddel dient een adequate risicobeoordeling voor zoogdieren te worden uitgevoerd, die aantoont dat zich onder veldomstandigheden geen onaanvaardbare effecten voordoen na toepassing van het bestrijdingsmiddel volgens de gebruiksaanwijzing.
* alle onderhavige toepassingen (met “bijenzin”) op basis van de werkzame stof imidacloprid voldoen aan de norm voor bijen, zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB), voor zover de toepassingen alleen plaats hebben ná de bloei, in niet-bloeiende gewassen of zodanig dat de bloei wordt voorkomen. De claim van de aanvrager voor vóór-bloei toepassingen behoeft tenminste nadere uitwerking in boomkwekerijgewassen, bloemisterijgewassen en vaste planten.
* studie inzake de semi-chronisch orale toxiciteit van de werkzame stof imidacloprid voor vogels volgens H.1.3 van het aanvraagformulier (OECD-richtlijn 206).
* Studie inzake de chronische toxiciteit van de werkzame stof imidacloprid voor vissen volgens H.2.2 van het aanvraagformulier.
* Studie inzake de sublethale toxiciteit van de werkzame stof imidacloprid voor regenwormen voor de gewasbehandelingen en de grondbehandelingen volgens H.4.2 van het aanvraagformulier.
* Studie inzake de effecten van de werkzame stof imidacloprid op de roofmijt (Typhlodromus pyri of Phytoseiulus persimilis) volgens H.3.2 van het aanvraagformulier.
* (semi-)veldgegevens inzake de effecten van de werkzame stof imidacloprid op sluipwespen (Aphidius rophalosiphi) volgens H.3.2 van het aanvraagformulier.
· De vragen die in C-87.3.6 (juni 1999) zijn gesteld als voorwaarde voor een toekomstige beoordeling, dienen eveneens ten behoeve van de verlenging na 1 januari 2004 te worden geleverd.
De vragen gesteld in C-87.3.6 zijn:
* een in vivo dermale penetratiestudie met imidacloprid bij de rat gecombineerd met een in vitro studie met ratten- en mensenhuid;
* voor ADMIRE, AMIGO, GAUCHO en GAUCHO ROOD: gegevens over de blootstelling aan imidacloprid bij het mengen en laden en uitvoeren van een zaaigoed of pilleerbehandeling;
* voor BILOGIC: gegevens over de blootstelling aan imidacloprid bij het plaatsen van Bilogic tabletten in gewassen op substraat in de kas.
* Voor GAUCHO en GAUCHO ROOD: metabolisme studie in melkgevende herkauwers (niet in de kip, eventueel in varkens) (study protocol M6219 M1840260-1 d.d. 9-9-88)
* metabolisme studie (appels, katoen, aardappelen, suikerbiet, aubergine) vermeld onder punt 7.1.2. in het Summary report about NTN 33893 from Bayer
* Voor GAUCHO ROOD: originele rapporten van de residustudies in maïs
* overdrachtstudies in melkkoeien en eventueel varkens (afhankelijk van metabolisme studies in melkgevende herkauwers)
* levering van de volgende stabiliteitstudies van imidacloprid tijdens opslag:
1) Noland P.A.1992, Imidacloprid and metabolites. Freezer storage stability study in crops. Miles report No. 103237.
2) Morishima N. 1992. Storage stability study of NTN 33893 (imidacloprid) and its five metabolites in corn, lemon and lettuce. Miles report No. 103820.
3) Ishii, I., Plack F.J. 1992. Determination of storage stability of an artificial total residue containing imidacloprid, WAK 4140, WAK 4103, NTN 35884, in/on sugar beet (root, leaf), barley (grain, forage, straw), sunflower (seed), and hops (green cone, dried cone). Miles report No. 103831.
4) studies die nog in uitvoering waren in 1992
* Voor AMIGO, GAUCHO en GAUCHO ROOD: volggewasstudies, uitgevoerd in verschillende groeiseizoenen op 2-4 locaties. Bij voorkeur uitgevoerd met volggewassen, die in Nederland gangbaar zijn na de teelt van aardappels, suikerbiet en maïs.
In de wettelijke gebruiksvoorschriften van GAUCHO en
GAUCHO ROOD dient de volgende restrictiezin te worden opgenomen:
“Toepassing is alleen toegestaan met behulp van precisiezaai, waarbij het
behandeld zaad direct met de grond bedekt wordt. Bovengronds morsen van het
behandelde zaad te allen tijde voorkomen. Resten van behandeld zaad nooit
verspreiden of vervoederen aan dieren.”
De aanvrager heeft op 31 oktober 2002 en 6 januari 2003 gegevens geleverd waarmee de aanvullende vragen werden beantwoord.
Stand van zaken met betrekking tot de aanvraag
Voor ADMIRE werd op 28 mei 1998 een verlenging aangevraagd.
ADMIRE werd in
C-104.3.13 (december 2000) voor afronding van de besluitvorming verlengd tot
1 januari 2004. Op 31 oktober 2002 en op 6 januari 2003 werden aanvullende
gegevens ontvangen. De aanvraag is op 19 juni 2003 opnieuw in behandeling
genomen.
De 34-weken termijn eindigt op 27 februari 2004.
Imidacloprid is een, voor de EU, oude stof (in een EU-lidstaat op de markt vóór 25 juli 1993). Imidacloprid staat op lijst 3A. Er is nog geen EU dossier ingediend.
De afronding van de besluitvorming betreft de aspecten milieu en humane toxicologie. In de beoordeling voor milieu en de beoordeling voor het risico voor de volksgezondheid is ook het middel GAUCHO TUINBOUW meegenomen. Voor dit middel is recent een verlenging aangevraagd (oktober 2002) en wordt daarom apart van de onderhavige middelen beoordeeld.
Toepassingsgebied
In tabel 1 t/m 4 staan de toepassingsoverzichten van ADMIRE, GAUCHO, GAUCHO ROOD en AMIGO weergegeven.
Tabel 1 Toepassingsoverzicht ADMIRE
|
Nr. toep. |
Toepassing |
Bijzonderheden |
Dosering w.s. [kg/ha] |
Freq. |
Interval [dag] |
Tijdstip |
|
1 |
appels, peren (jong gewas) |
gewasbehandeling, na de bloei, vg |
0,0700 |
2 |
7 |
mei-juli |
|
2 |
appels |
gewasbehandeling, na de bloei, vg |
0,1050 |
2 |
7 |
mei-juli |
|
3 |
peren |
gewasbehandeling, na de bloei, vg |
0,0840 |
3 |
7 |
jan-dec |
|
4 |
aubergine |
substraatteelt, og |
0,0314 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
5 |
tomaat |
substraatteelt, og |
0,0392 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
6 |
paprika |
substraatteelt, og |
0,0588 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
7 |
augurk |
substraatteelt, og |
0,0353 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
8 |
courgette |
substraatteelt, og |
0,0157 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
9 |
komkommer |
substraatteelt, og |
0,0255 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
10 |
aubergine |
substraatteelt, og |
0,1254 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
11 |
tomaat |
substraatteelt, og |
0,1568 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
12 |
paprika |
substraatteelt, og |
0,2352 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
13 |
augurk |
substraatteelt, og |
0,1411 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
14 |
courgette |
substraatteelt, og |
0,0627 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
15 |
komkommer |
substraatteelt, og |
0,1019 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
16 |
aubergine, tomaat, paprika (opkweek plantmateriaal) |
gewasbehandeling, og |
0,0700 |
1 |
0 |
jan-dec |
|
17 |
lelie (bloembollen- en bolbloementeelt) |
gewasbehandeling vg |
0,0700 |
2 |
7 |
april-sept |
|
18 |
lelie (bloembollen- en bollenteelt) |
gewasbehandeling og |
0,0700 |
2 |
7 |
jan-dec |
|
19 |
lelie (plantgoed bloem- bollenteelt en bolbloementeelt) |
dompelbehandeling |
0,3360 |
1 |
0 |
sep-okt |
|
20 |
bloemisterijgewassen overige (grondteelten) |
gewasbehandeling, og |
0,0700 |
2 |
7 |
jan-dec |
|
21 |
Bloemisterijgewassen(roos; grondteelt) |
gewasbehandeling, og |
0,0840 |
2 |
7 |
jan-dec |
|
22 |
bloemisterijgewassen |
substraatteelt, og |
0,4900 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
23 |
bloemisterijgewassen (overjarige teelt/ pot- en perkplanten, vaste-planten, snijbloemen |
gewasbehandeling vg |
0,0700 |
2 |
7 |
jan-dec |
|
24 |
bloemisterijgewassen |
substraatteelt, og |
1,9600 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
25 |
bloemisterijgewassen (roos) |
gewasbehandeling og |
0,0840 |
3 |
7 |
hele jaar |
|
26 |
bloemisterijgewassen (overige) |
gewasbehandeling og |
0,0700 |
3 |
7 |
hele jaar |
|
27 |
boomkwekerijgewas-sen en vaste planten |
gewasbehandeling og |
0,0700 |
3 |
7 |
hele jaar |
|
28 |
boomkwekerijgewas-sen (laanbomen) |
gewasbehandeling og |
0,0840 |
3 |
7 |
april-sept |
|
29 |
boomkwekerijgewas-sen (overige) |
gewasbehandeling og |
0,0840 |
3 |
7 |
april-sept |
|
30 |
boomkwekerijgewas-sen (vaste planten) |
gewasbehandeling og |
0,0700 |
3 |
7 |
april-sept |
Tabel 2 Toepassingsoverzicht GAUCHO
|
Nr. toep. |
Toepassing |
Bijzonderheden |
Dosering [kg w.s./ha] |
Freq. |
Interval [dag] |
Tijdstip |
||
|
1 |
suiker- en voederbieten |
zaadbehandeling |
0,09101 |
1 |
- |
voorjaar |
||
1: 30 g middel/100000 zaden; 100000 zaden/ha
Tabel 3 Toepassingsoverzicht GAUCHO ROOD
|
Nr. toep. |
Toepassing |
Bijzonderheden |
Dosering [kg w.s./ha] |
Freq. |
Interval [dag] |
Tijdstip |
||||
|
1 |
snij- en korrelmaïs |
zaadbehandeling |
0,12041 |
1 |
- |
voorjaar |
||||
1: 86 g middel/50000 zaden; 100000 zaden/ha
Tabel 4 Toepassingsoverzicht AMIGO
|
Nr. toep. |
Toepassing |
Bijzonderheden |
Dosering [kg w.s./ha] |
Freq. |
Interval [dag] |
Tijdstip |
||
|
1 |
aardappelen |
grondbehandeling tijdens poten |
0,1750 |
1 |
- |
maart-april |
||
Profiel humane toxicologie
Het profiel humane toxicologie is mede gebaseerd op
rapporten opgesteld door RIVM (adviesrapport 93/613340/013, d.d. 20 september
1993 en adviesrapport 06243A00,
d.d. 18 december 1998) en TNO (99-038-C-169/2 final, d.d. 27 oktober 2003).
Toxicokinetiek
Orale opname
Oraal toegediend imidacloprid (1 en 20 mg/kg lg) werd in de rat snel opgenomen en over het lichaam verdeeld. De stof (gelabeld in de methyleenring) werd voor ongeveer 90% geabsorbeerd, gebaseerd op excretie in urine en gal in ratten (eenmalige intraduodenale dosering van 1 mg/kg lg; excretie 36% via de gal en 56% via de urine binnen 48 uur). De absorptie werd niet beïnvloed door de dosis, sekse en herhaalde toediening. De hoogste concentraties werden gevonden in lever en nier. Er vindt geen accumulatie plaats. De twee voornaamste afbraakroutes waren een oxidatieve splitsing van het molecuul en een hydroxylering van de imidazolinering gevolgd door de afsplitsing van een watermolecuul.
Als voor de risicobeoordeling gegevens van een orale studie vertaald moeten worden naar een interne waarde, worden gegevens over orale absorptie gebruikt. Om onderschatting van het gezondheidsrisico te voorkomen wordt uitgegaan van de laagste experimenteel gevonden waarde; dit is voor imidacloprid 90%.
Dermale opname
Voor het berekenen van interne AOEL op basis van dermale toxiciteitsstudies is informatie over de dermale absorptie rond de waarde van de NOAEL noodzakelijk. Er zijn echter geen gegevens beschikbaar over de dermale absorptie van imidacloprid. Voor de beschikbare dermale toxiciteitsstudie wordt uitgegaan van een oppervlakte concentratie >1 mg/cm2.
De
oppervlakte concentratie in dermale toxiciteitsstudies is redelijk hoog
vergeleken met de verwachte oppervlakteconcentratie waaraan werkers normaliter
worden blootgesteld
(<1 mg/cm2), zodat het percentage absorptie mogelijk vrij laag
kan zijn. De invloed van de hulpstoffen uit de formulering op de dermale opname
van imidacloprid is niet bekend. Gelet op de fysisch-chemische eigenschappen
van imidacloprid (molecuulgewicht 256,
log Pow 0,52) kan 10% dermale opname niet worden uitgesloten. Op
basis van bovengenoemde argumenten wordt voor de afleiding van een interne AOEL
uit een dermale toxiciteitsstudie uitgegaan van een dermale absorptie van 10%.
Indien de interne AOEL wordt gebruikt in een risicobeoordeling, dient de interne AOEL te worden vergeleken met de interne blootstelling van de werkers. Voor het berekenen van deze interne blootstelling op basis van blootstellingsgegevens op de werkplek is informatie over de dermale absorptie rond de waarde van de berekende oppervlakteconcentratie noodzakelijk. Er zijn echter geen gegevens beschikbaar over de dermale absorptie van imidacloprid. Op basis van de fysisch-chemische eigenschappen van imidacloprid (molecuulgewicht 256, log Pow 0,52) kan aanzienlijke dermale absorptie niet worden uitgesloten. De invloed van de hulpstoffen uit de formulering op de dermale opname van imidacloprid is niet bekend. Gezien het feit dat geen systemische effecten werden waargenomen bij het konijn in een 21-dagen dermale toxiciteitsstudie bij de hoogst geteste dosering van 1000 mg/kg lg/dag, wordt geschat dat opname via de huid niet meer dan 50% zal bedragen. Op basis van bovengenoemde argumenten wordt voor de risicobeoordeling voor de werker uitgegaan van de een dermale absorptie van 50%.
Opname via inhalatie
Er zijn geen gegevens verstrekt op basis waarvan de inhalatoire absorptie geschat kan worden. Als voor de risicobeoordeling een interne dosis na de inhalatoire blootstelling wordt berekend wordt veiligheidshalve uitgegaan van een inhalatoire absorptie van 100% (‘default-waarde’).
Toxicodynamiek
Acute toxiciteit
Imidacloprid is na eenmalige orale toediening volgens de
EEG-criteria schadelijk
(LD50 rat 424 mg/kg lg). De stof behoeft geen classificatie voor
acuut dermale en inhalatoire blootstelling (LD50-dermaal rat
>5000 mg/kg, LC50-inhalatoir rat > 5323 mg/m3).
Imidacloprid is niet irriterend voor de huid en ogen en veroorzaakt geen
overgevoeligheidsreacties bij contact met de huid.
Kortdurende en chronische toxiciteit/carcinogeniteit
Imidacloprid werd getest in een 21-dagen dermaal onderzoek bij konijnen. Bij de geteste dosering (1000 mg/kg lg/dag) werden geen effecten waargenomen. In een 4-weken inhalatoire toxiciteitsstudie bij ratten (blootstelling 6 uur/dag) werd een NOAEL vastgesteld van 5,5 mg/m3. Deze NOAEL was gebaseerd op levereffecten waargenomen in de daarop volgende dosisgroep (30,5 mg/m3).
Bij de hond werd in een 13-weken studie een NOAEL van 5 mg/kg lg/dag (gebaseerd op neurotoxische effecten) en in een 52-weken studie een NOAEL van 15 mg/kg lg/dag (gebaseerd op levereffecten) vastgesteld. Uit een vergelijking van de NOAEL- en LOAEL-waarden wordt geconcludeerd dat bij de hond geen accumulatie van het effect optreedt bij langere blootstellingsduur. Bij de rat daarentegen lijkt een tijdsduur afhankelijke verlaging van de NOAEL gevonden te worden (MOAEL in de 13-weken studie: 14 mg/kg lg/dag; MOAEL in de chronische studie: 5,7 mg/kg lg/dag).
Bij zowel de rat als de hond werden effecten op de lever waargenomen. Bij de rat werden ook effecten op de schildklier gevonden. In het chronisch onderzoek met ratten kon geen NOAEL worden vastgesteld (MOAEL 5,7 mg/kg lg/dag, gebaseerd op microscopische veranderingen in de schildklier).
Uit oraal chronisch toxiciteits- en carcinogeniteitsonderzoek met ratten en muizen werd geconcludeerd dat imidacloprid niet carcinogeen is.
Genotoxiciteit
In vitro genmutatie tests met bacteriën en Chinese
hamstercellen waren negatief. Van vier in vitro indicatortesten gaven
drie (UDS in rathepatocyten, mitotische recombinatie in
S. cerevisiae, zone van groeiremming in Bac. Sub.) een negatief resultaat en
werd bij een SCE-test met Chinese hamstercellen een positief resultaat gevonden
met en zonder metabole activatie. Een test naar chromosoom afwijkingen in
humane lymphocyten was eveneens positief in afwezigheid van metabole activatie
en in één van de duplo testen met metabole activatie. Er zijn derhalve
aanwijzingen dat imidacloprid in vitro
chromosoom aberraties veroorzaakt. Drie in vivo testen
(micronucleustest, chromosoomafwijkingen in beenmerg Chinese hamster en SCE
test in Chinese hamster) waren negatief. Gezien de resultaten kan geconcludeerd
worden dat imidacloprid in vivo als niet genotoxisch kan worden
beschouwd.
Reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit
In een orale 2-generatie reproductiestudie bij ratten werden
geen effecten gevonden op reproductie parameters. De NOAEL voor zowel
parentale- als ontwikkelingstoxiciteit bedroeg
5 mg/kg lg/dag. In teratogeniteitsonderzoek met ratten en konijnen werden geen
irreversibele structurele veranderingen waargenomen. Bij de rat bedroeg de
NOAEL voor zowel maternale- als ontwikkelingstoxiciteit 30 mg/kg lg/dag,
terwijl deze bij het konijn respectievelijk 8 en 24 mg/kg lg/dag bedroegen.
Neurotoxiciteit
Imidacloprid
geeft neurotoxische effecten zowel na subacute orale blootstelling (NOAEL
20 mg/kg lg) als na 90-dagen orale blootstelling (NOAEL voor neurotoxiciteit
63 mg/kg lg/dag) bij de rat. In laatstgenoemde studie was de NOAEL voor
algemene toxicologische effecten (9,3 mg/kg lg/dag) echter lager dan de NOAEL
voor neurotoxiciteit. In de reeds eerder beschreven 13-weken orale studie bij
de hond werd echter een NOAEL van 5 mg/kg lg/dag vastgesteld voor neurotoxische
effecten.
Afleiden ‘overall’ NOAEL
De laagste NOAEL (5 mg/kg lg/dag) werd waargenomen in reproductieonderzoek bij de rat en in een 13-weken orale studie bij de hond.
Ontbrekende gegevens werkzame stof
Geen.
Formulering(en)
De poeder formuleringen ADMIRE, GAUCHO ROOD en GAUCHO bevatten als werkzame stof imidacloprid (70 massa%) en de vloeibare formulering AMIGO bevat 350 g/l imidacloprid.
Deze middelen zijn bedoeld als insecticide in de teelt van diverse gewassen (ADMIRE), voor toevoeging aan de coating van suikerbietenzaad (GAUCHO), in de teelt van maïs en zaaizaadbehandeling (GAUCHO ROOD) en voor grondbehandeling bij het poten van pootaardappelen (AMIGO).
Formuleringstoxicologie
ADMIRE
In het verleden zijn gegevens geleverd met ADMIRE 70 WG. Aangezien de samenstelling van ADMIRE 70 WG gelijk is aan de samenstelling van ADMIRE kunnen deze gegevens voor de onderhavige aanvraag gebruikt worden.
ADMIRE dient op basis van zijn acuut orale toxiciteit (LD50 rat = 1005 mg/kg lg) geclassificeerd te worden als ‘schadelijk bij opname door de mond‘, R 22. Het middel behoeft op basis van zijn acuut dermale toxiciteit (LD50 rat > 5000 mg/kg lg) en acuut inhalatoire toxiciteit (LC50 > 5317 mg/m3) niet te worden geclassificeerd. ADMIRE is niet irriterend voor de huid en ogen.
Er zijn geen gegevens beschikbaar over de huidsensibiliserende eigenschappen van ADMIRE. Aangezien de componenten van ADMIRE niet geclassificeerd zijn voor huidsensibilisatie, wordt aangenomen dat ADMIRE geen classificatie behoeft voor huidsensibilisatie.
AMIGO
In het verleden zijn gegevens geleverd met GAUCHO VLOEIBAAR. Aangezien de samenstelling van GAUCHO VLOEIBAAR gelijk is aan de samenstelling van AMIGO kunnen deze gegevens voor de onderhavige aanvraag gebruikt worden.
AMIGO dient op basis van zijn acuut orale toxiciteit (LD50
rat = 768 mg/kg lg) geclassificeerd te worden als ‘schadelijk bij opname door
de mond‘, R 22. Het middel behoeft op basis van zijn acuut dermale toxiciteit
(LD50 rat > 5000 mg/kg lg) en acuut inhalatoire toxiciteit
(LC50 > 1,8 mg/L, maximaal technisch haalbare concentratie) niet
te worden geclassificeerd. AMIGO is niet irriterend voor de huid en ogen. AMIGO was
positief in een Buehler test voor huidsensibilisatie bij de cavia en dient
derhalve geclassificeerd te worden als: ‘kan overgevoeligheid veroorzaken bij
contact met de huid’, R43.
GAUCHO
In het verleden zijn gegevens geleverd met een formulering die niet identiek is aan GAUCHO. In het verleden is vastgehouden aan de etiketering van de werkzame stof imidacloprid. Derhalve is GAUCHO geclassificeerd met ‘schadelijk bij opname door de mond‘, R 22.
Aangezien de gegevens aangaande formuleringstoxicologie niet meer beschikbaar zijn, wordt voor de onderhavige beoordeling dezelfde redenering aangehouden. GAUCHO dient op basis van de acuut orale toxiciteit van imidacloprid geclassificeerd te worden als ‘schadelijk bij opname door de mond‘, R 22.
GAUCHO ROOD
In het verleden zijn gegevens geleverd met GAUCHO EXP. Aangezien de samenstelling van GAUCHO EXP gelijk is aan de samenstelling van GAUCHO ROOD kunnen deze gegevens voor de onderhavige aanvraag gebruikt worden.
GAUCHO ROOD dient op basis van zijn acuut orale toxiciteit (LD50 rat = 595 mg/kg lg) geclassificeerd te worden als ‘schadelijk bij opname door de mond‘, R 22. Het middel behoeft op basis van zijn acuut dermale toxiciteit (LD50 rat > 5000 mg/kg lg) en acuut inhalatoire toxiciteit (LC50 > 5,4 mg/L) niet te worden geclassificeerd. GAUCHO ROODis niet irriterend voor de huid en ogen. Er zijn geen gegevens beschikbaar over de huidsensibiliserende eigenschappen van GAUCHO ROOD. Aangezien de componenten van GAUCHO ROODniet geclassificeerd zijn voor huidsensibilisatie, behoeft GAUCHO ROODgeen classificatie voor huidsensibilisatie.
Ontbrekend onderzoek formulering(en)
· Gegevens aangaande de middeltoxicologie van GAUCHO: acute orale toxiciteit, acute dermale toxiciteit, acute inhalatoire toxiciteit, oogirritatie, huidirritatie en huidsensibilisatie.
· Gegevens aangaande huidsensibilisatie van ADMIRE, AMIGO en GAUCHO ROOD.
Beoordeling van het risico voor de toepasser (beroepsmatig re-entry)
De risicobeoordeling voor de beroepsmatige toepasser (inclusief re-entry) is mede gebaseerd op een door TNO opgesteld rapport (nr. 08934A00, d.d. 30 september 2002).
Overzicht toepassingen
De poeder formuleringen ADMIRE, GAUCHO ROOD en GAUCHO bevatten als actieve stof imidacloprid (70 massa%) en de vloeibare formulering AMIGO bevat 350 g/l imidacloprid. Deze middelen zijn bedoeld als insecticide in de teelt van diverse gewassen (ADMIRE), voor toevoeging aan de coating van suikerbietenzaad (GAUCHO), in de teelt van maïs en zaaizaadbehandeling (GAUCHO ROOD) en voor grondbehandeling bij het poten van pootaardappelen (AMIGO).
Afleiden AOEL’s
Voor toepassing van AMIGO, ADMIRE, GAUCHO ROOD en GAUCHO wordt ervan uitgegaan dat de toepassingen niet geschiedt door loonwerkers, en is de frequentie zo laag en/of de periode van toepassen zo kort en het interval tussen de behandelingen relatief lang ten opzichte van de uitscheidingssnelheid van imidacloprid dat bij de risicobeoordeling rekening wordt gehouden met semi-chronische blootstelling.
Voor herbetredingswerkzaamheden door loonwerkers in gewassen behandeld met ADMIRE wordt chronische blootstelling verondersteld. Herbetredingswerkzaamheden worden kort na toepassing van AMIGO, GAUCHO ROOD en GAUCHO worden niet verwacht.
Voor de berekeningen van de interne AOEL’s voor
semi-chronische en chronische inhalatoire blootstelling voor de toepasser wordt
uitgegaan van de NOAEL van 5,5 mg/m3 uit de 28-dagen inhalatie
studie bij de rat. Berekeningen vanuit orale studies leveren hogere AOEL
waarden op. Voor de berekening van de interne AOEL voor semi-chronische en
chronische dermale blootstelling voor de toepasser wordt uitgegaan van een
NOAEL van
5 mg/kg lg/dag gebaseerd op orale reproductiestudie bij de rat. Berekeningen
vanuit andere studies leveren hogere AOEL waarden op.
Assessmentfactoren worden gebruikt om te compenseren voor de
onzekerheid die voortvloeit uit de verschillen tussen de experimentele
omstandigheden, de situatie op de werkplek en om de waarschijnlijkheid te
vergroten dat er bij de toelaatbaar geachte blootstelling inderdaad geen
nadelige effecten voor de gezondheid optreden.
AOEL’s voor inhalatoire blootstelling
Gebruikte assessment factoren zijn:
· overige interspecies verschillen: 3
· intraspecies verschillen: (beroepsmatige toepassing) 3
· extrapolatie subacute ® semi-chronische blootstelling: 101
· extrapolatie subacute ® chronische blootstelling: 301
· biologische beschikbaarheid via de inhalatoire route: (worst-case) 100%
· correctiefactor inhalatie studie
ademvolume werker (1,25 m3/uur) x
blootstellingsduur inhalatie studie (6 uur) 7,5
1 bij extrapolatie van een subacute naar chronische blootstelling wordt normaliter een factor 100 toegepast. Omdat de MOAEL uit de chronische orale proef met ratten een factor 3 lager is dan de MOAEL uit het semi-chronische onderzoek wordt een factor 30 voldoende geacht , namelijk een factor 10 voor extrapolatie van subacuut naar semi-chronisch en een factor 3 voor extrapolatie van semi-chronische naar chronische blootstelling.
Semi-chronische AOELsystemisch : 5,5 x 1,0 x 7,5 / (3 x 3 x 10) = 0,46 mg/ dag
Chronische AOELsystemisch : 5,5 x 1,0 x 7,5 / (3 x 3 x 30) = 0,15 mg/ dag
AOEL’s voor dermale blootstelling
Gebruikte assessment factoren zijn:
· extrapolatie rat ® mens o.b.v. calorische behoefte: 4
· overige interspecies verschillen: 3
· intraspecies verschillen: (beroepsmatige toepassing) 3
· extrapolatie reproductie studie ® semi-chronische blootstelling: 12
· extrapolatie reproductie studie ® chronische blootstelling: 12
· biologische beschikbaarheid via de orale route: 90%
gebaseerd op metabolisme studie bij de rat
· gewicht werker: 70 kg
2 Voor extrapolatie van een 2-generatiereproductie studie naar semi-chronische of chronische blootstelling behoeft geen factor voor blootstellingsduur te worden toegepast.
Semi-chronische AOELsystemisch : 5 x 0,90 x 70 / (4 x 3 x 3 x 1) = 8,8 mg/ dag
Chronische AOELsystemisch : 5 x 0,90 x 70 / (4 x 3 x 3 x 1) = 8,8 mg/ dag
Schatting van de blootstelling/berekening Risico indices
De blootstelling aan imidacloprid tijdens mengen/laden en toepassen is geschat met behulp van modellen (EUROPOEM) of resultaten van veldstudies. De blootstelling aan imidacloprid tijdens re-entry werkzaamheden is geschat met behulp van de modellen voor snijden en sorteren/bossen in bloemisterijgewassen. Bij de blootstellingsschattingen is uitgegaan van de onbeschermde werker, met uitzondering van de behandeling van zaaigoed, waar resultaten van een veldstudie voor de beschermde werker aanwezig waren. Voor de totale dagblootstelling dienen de afzonderlijke handelingen (mengen/laden en toepassen) te worden opgeteld. Dit geldt eveneens voor de afzonderlijke handelingen bij re-entry werkzaamheden, het oogsten of snijden en sorteren/inpakken of bossen/sorteren. In de tabellen T.1 tot en met T.3 wordt aangegeven hoe de geschatte dermale en inhalatoire blootstelling aan imidacloprid bij gebruik van de formuleringen GAUCHO TUINBOUW, AMIGO, ADMIRE, GAUCHO ROOD en GAUCHO zich verhoudt tot de AOEL. Daarbij is de interne blootstelling via de dermale en inhalatoire route berekend met behulp van een absorptie percentage van respectievelijk 50% en 100%.
Tabel T.1 Risicobeoordeling voor dermale en inhalatoire blootstelling aan imidacloprid bij gebruik van AMIGO
|
Activiteit |
Route |
Interne blootstelling (mg/dag)1 |
Interne AOEL (mg/dag) |
Risico-index2 |
|
Machinale toepassing in de teelt van pootaardappelen |
||||
|
Mengen en laden |
dermaal |
11 |
8,8 |
1,3 |
|
inhalatoir |
< 0,01 |
0,46 |
<0,02 |
|
|
Machinaal neerwaarts spuiten |
dermaal |
1,6 |
8,8 |
0,18 |
|
inhalatoir |
< 0,01 |
0,46 |
<0,02 |
|
1 Berekend op basis van een dermale absorptie van 50% en een inhalatoire absorptie van 100%
2 Ratio van geschatte blootstelling en toelaatbaar geachte blootstelling.
Tabel T.2 Risicobeoordeling voor dermale en inhalatoire blootstelling aan imidacloprid bij gebruik van ADMIRE
|
Activiteit |
Route |
Interne blootstelling (mg/dag)1 |
Interne AOEL (mg/dag) |
Risico-index2 |
|
|
Machinale toepassing in de teelt van appels en peren |
|||||
|
Mengen en laden |
dermaal |
7 |
8,8 |
0,80 |
|
|
|
inhalatoir |
0,11 |
0,46 |
0,24 |
|
|
Machinaal opwaarts spuiten |
dermaal |
9 - 25 |
8,8 |
1,0 – 2,8 |
|
|
|
inhalatoir |
<0,01 – 0,02 |
0,46 |
<0,02 – 0,04 |
|
|
Meedruppelen met voedingsoplossing in de teelt van aubergines, augurken, courgettes, komkommers, tomaten, Spaanse pepers, paprika’s en bloemisterijgewassen op substraat onder glas |
|||||
|
Mengen en laden |
dermaal |
3,5 |
8,8 |
0,40 |
|
|
inhalatoir |
0,05 |
0,46 |
0,11 |
||
|
Handmatig toepassen in de teelt van bloemisterijgewassen in de grond onder glas, boomkwekerijgewassen en vaste planten onder glas |
|||||
|
Toepassen, inclusief mengen en laden |
dermaal |
4 - 7 |
8,8 |
0,45 – 0,80 |
|
|
inhalatoir |
0,04 – 0,07 |
0,46 |
0,09 – 0,15 |
||
|
Handmatig toepassen in de teelt van overjarige bloemisterijgewassen, boomkwekerijgewassen, en vaste planten in de volle grond |
|||||
|
Mengen en laden |
dermaal |
3,5 |
8,8 |
0,40 |
|
|
|
inhalatoir |
0,05 |
0,46 |
0,11 |
|
|
Handmatig neerwaarts spuiten |
dermaal |
2 - 8 |
8,8 |
0,23 – 0,91 |
|
|
inhalatoir |
0,02 – 0,08 |
0,46 |
0,04 – 0,17 |
||
|
Handmatig toepassen in het plantmateriaal van de teelten aubergines, augurken, courgettes, komkommers, tomaten, Spaanse pepers en paprika’s op kunstmatig substraat onder glas en in lelies onder glas |
|||||
|
Toepassen inclusief mengen en laden |
dermaal |
7 |
8,8 |
0,80 |
|
|
|
inhalatoir |
0,07 |
0,46 |
0,15 |
|
|
Machinaal toepassen in de teelt van lelies, bloembol- en bolbloemgewassen en in gladiolen |
|||||
|
Mengen en laden |
dermaal |
3,5 - 7 |
8,8 |
0,40 – 0,80 |
|
|
inhalatoir |
0,05 - 0,11 |
0,46 |
0,11 – 0,24 |
||
|
Machinaal neerwaarts spuiten |
dermaal |
0,1 – 0,65 |
8,8 |
0,01 – 0,07 |
|
|
inhalatoir |
< 0,01 |
0,46 |
<0,02 |
||
|
Activiteit |
Route |
Interne blootstelling (mg/dag)1 |
Interne AOEL (mg/dag) |
Risico-index2 |
||
Machinaal dompelen in het plantgoed van lelies, bloembol- en bolbloemgewassen en in gladiolen |
||||||
|
Mengen/laden (machinale toepassing) |
dermaal |
7 |
8,8 |
0,80 |
||
|
inhalatoir |
0,11 |
0,46 |
0,24 |
|||
|
Dompelen |
dermaal |
1,4 |
8,8 |
0,16 |
||
|
inhalatoir |
- |
0,46 |
- |
|||
|
Re-entry werkzaamheden in de teelt van appels en peren |
||||||
|
Oogsten |
dermaal |
6 - 17 |
8,8 |
0,68 – 1,9 |
||
|
inhalatoir |
- |
0,15 |
- |
|||
|
Re-entry werkzaamheden in de teelt van aubergines, augurken, courgettes, komkommers, tomaten, Spaanse pepers en paprika’s en van bloemisterijgewassen op kunstmatig substraat onder glas |
||||||
|
Oogsten of snijden |
dermaal |
0,6 |
8,8 |
0,07 |
||
|
inhalatoir |
0,01 |
0,15 |
0,07 |
|||
|
Sorteren/inpakken of bossen/sorteren |
dermaal |
0,3 |
8,8 |
0,03 |
||
|
inhalatoir |
<0,01 |
0,15 |
<0,07 |
|||
|
Re-entry werkzaamheden in de teelt van bloemisterijgewassen in de grond onder glas, boomkwekerijgewassen en vaste planten onder glas of in de volle grond en overjarige bloemisterijgewassen in de volle grond en in lelies |
||||||
|
Snijden of veilingklaar maken |
dermaal |
0,6 – 2,4 |
8,8 |
0,07 – 0,27 |
||
|
inhalatoir |
0,01 – 0,05 |
0,15 |
0,07 – 0,33 |
|||
|
Sorteren/inpakken of bossen/sorteren |
dermaal |
0,3 – 1,2 |
8,8 |
0,03 – 0,14 |
||
|
inhalatoir |
< 0,01 |
0,15 |
<0,07 |
|||
1 Berekend op basis van een dermale absorptie van 50% en een inhalatoire absorptie van 100%
2 Ratio van geschatte blootstelling en toelaatbaar geachte blootstelling.
- Geen model beschikbaar
n.a. Verwaarloosbaar
Tabel T.3 Risicobeoordeling voor dermale en inhalatoire blootstelling aan imidacloprid bij gebruik van GAUCHO ROOD en GAUCHO
|
Activiteit |
Route |
Interne blootstelling (mg/dag)1 |
Interne AOEL (mg/dag) |
Risico-index2 |
|
Zaaigoedbehandeling in de teelt van snijmaïs en korrelmaïs |
||||
|
Mengen en laden, schoonmaken doseersysteem en afzakken |
dermaal |
7,8 |
8,8 |
0,89 |
|
inhalatoir |
4,9 |
0,46 |
11 |
|
|
Pilleerbehandeling van zaden in de teelt van suikerbieten en voederbieten |
||||
|
Mengen en laden, schoonmaken doseersysteem |
dermaal |
4,9 |
8,8 |
0,56 |
|
inhalatoir |
2,6 |
0,46 |
5,6 |
|
1 Berekend op basis van een dermale absorptie van 50% en een inhalatoire absorptie van 100%
2 Ratio van geschatte blootstelling en toelaatbaar geachte blootstelling.
Conclusie
Op basis van deze arbeidstoxicologische risicobeoordeling kan worden geconcludeerd dat nadelige effecten op de gezondheid niet uit te sluiten zijn bij:
·
dermale blootstelling bij het onbeschermd gebruik van
AMIGO bij het mengen en laden in de teelt van pootaardappelen.
Arbeidshygiënisch verantwoord gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen kan
de dermale blootstelling met ongeveer een factor
10 reduceren. Dit zal voor deze toepassing afdoende reductie opleveren.
· dermale blootstelling bij onbeschermd gebruik van ADMIRE bij machinaal opwaarts spuiten in de teelt van appels en peren; arbeidshygiënisch verantwoord gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (handschoenen en beschermende kleding) kan de dermale blootstelling met ongeveer een factor 10 reduceren. Dit zal voor deze toepassing afdoende reductie opleveren.
· dermale blootstelling bij onbeschermd gebruik van ADMIRE bij het oogsten in de teelt van appels en peren. Arbeidshygiënisch verantwoord gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen zal voor deze toepassing afdoende reductie opleveren.
· inhalatoire blootstelling bij onbeschermd gebruik van GAUCHO ROOD en GAUCHO voor zaaigoedbehandeling in de teelt van snijmaïs en korrelmaïs en voor pilleerbehandeling van zaden in de teelt van suiker- en voederbieten. Arbeidshygiënisch verantwoord gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen zal voor deze toepassing afdoende reductie opleveren.
Onzekerheden
· Er is geen informatie verschaft over inhalatoire opname van imidacloprid, derhalve is bij de risicobeoordeling uitgegaan van een ‘worst-case’ waarde van 100%.
· De dermale absorptie is geschat op basis van de fysisch-chemische gegevens van imidacloprid en de afwezigheid van systemische effecten in een 21-dagen dermale studie bij het konijn. In de onderhavige risicobeoordeling is uitgegaan van 50% dermale absorptie, wat als een ‘worst-case’ waarde kan worden beschouwd.
· Voor de inhalatoire route is uitgegaan van een AOEL berekend op basis van een NOAEL uit een subacute inhalatie studie. Middels het toepassen van factoren voor blootstellingsduur zijn semichronische en chronische AOELs berekend. Op basis van orale toxiciteitsgegevens zou een hogere semichronische en chronische AOEL voor de inhalatoire route worden berekend. Echter, op basis van de beschikbare gegevens kan route-specificiteit niet uitgesloten worden. Derhalve is uitgegaan van een AOEL berekend op basis van een NOAEL uit een subacute inhalatie studie.
Ontbrekende gegevens
Geen
Etikettering
Voorstel voor
classificatie imidacloprid (symbolen en R-zinnen)
(EU classificatie)
|
Symbool: |
Xn |
met als onderschrift: Schadelijk |
|
R-zinnen |
R22 |
Schadelijk bij opname door de mond |
Voorstel voor classificatie formulering(en) (symbolen en R- en S-zinnen)
Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de geleverde formuleringstoxicologie voor het middel, de eigenschappen van de hulpcomponenten, de wijze van toepassen en de risicoschatting voor de toepasser wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:
Voorstel voor classificatie ADMIRE (symbolen en R- en S-zinnen)
|
Symbool: |
Xn |
met als onderschrift: Schadelijk |
|
R-zinnen |
R22 |
Schadelijk bij opname door de mond |
|
S-zinnen |
S2 |
Buiten bereik van kinderen bewaren |
|
|
S13 |
Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder |
|
|
S20/21 |
Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik. |
|
|
S36/37 |
Draag geschikte beschermende kleding en handschoenen |
Voorstel voor classificatie AMIGO
(symbolen en R- en S-zinnen)
|
Symbool: |
Xn |
met als onderschrift: Schadelijk |
|
R-zinnen |
R22 |
Schadelijk bij opname door de mond |
|
|
R43 |
Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid |
|
S-zinnen |
S2 |
Buiten bereik van kinderen bewaren |
|
|
S13 |
Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder |
|
|
S20/21 |
Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik. |
|
|
S36/37 |
Draag geschikte beschermende kleding en handschoenen |
Voorstel voor classificatie GAUCHO
(symbolen en R- en S-zinnen)
|
Symbool: |
Xn |
met als onderschrift: Schadelijk |
|
R-zinnen |
R22 |
Schadelijk bij opname door de mond |
|
S-zinnen |
S2 |
Buiten bereik van kinderen bewaren |
|
|
S13 |
Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder |
|
|
S20/21 |
Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik. |
|
|
S42 |
Tijdens de ontsmetting/bespuiting een geschikte adembescherming dragen (juiste term(en) aan te geven door de fabrikant) |
Voorstel voor classificatie GAUCHO ROOD
(symbolen en R- en S-zinnen)
|
Symbool: |
Xn |
met als onderschrift: Schadelijk |
|
R-zinnen |
R22 |
Schadelijk bij opname door de mond |
||
|
S-zinnen |
S2 |
Buiten bereik van kinderen bewaren |
|
|
|
|
S13 |
Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder |
|
|
|
|
S20/21 |
Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik. |
|
|
|
|
S42 |
Tijdens de ontsmetting/bespuiting een geschikte adembescherming dragen (juiste term(en) aan te geven door de fabrikant) |
|
|
Beoordeling
van het risico voor de volksgezondheid
Imidacloprid is in 2002 geëvalueerd door de JMPR. Ten behoeve van de Nederlandse verlenging van GAUCHO, GAUCHO ROOD, GAUCHO TUINBOUW, AMIGO en ADMIRE op basis van imidacloprid is in 1999 een RIVM adviesrapport geschreven. Als vervolg daarop is in 2003 een aanvulling geschreven, waarin ook de JMPR evaluatie uit 2002 is betrokken. De onderstaande tekst is hier, mede, op gebaseerd.
Overzicht toepassingen
Imidacloprid is in Nederland toegelaten als insecticide. GAUCHO, GAUCHO ROOD, GAUCHO TUINBOUW, AMIGO en ADMIRE met als werkzame stof imidacloprid, zijn insecticiden die gebruikt worden in kassen en in het veld voor de bestrijding van zuigende insecten.
GAUCHO wordt toegepast in de teelt van suiker- en voederbieten, GAUCHO ROOD in de teelt van snij- en korrelmais, GAUCHO TUINBOUW in de teelt van sla, ADMIRE in de teelt van appels en peren (spray), in de teelt van tomaat, komkommer, aubergine, courgette, augurk en paprika (plantmateriaal en op kunstmatig substraat kweken) en in de teelt van bloemisterijgewassen op de volle grond en onder glas en AMIGO in de teelt van aardappelen.
Metabolisme en residugedrag, planten
Het metabolisme van imidacloprid is bestudeerd in 4 gewasgroepen: fruit, peulvruchten/oliezaden, wortel- en knolgewassen en granen. Het metabolisme in deze gewasgroepen is vergelijkbaar.
Alle metabolieten die in planten geïdentificeerd zijn na toediening van imidacloprid bevatten de 6-chloorpyridinylmethyleen structuur. Er zijn 3 belangrijke metabolisme routes: reductie en verlies van de nitro-groep, hydroxylering van de imidazolring en dehydratie van de mono-hydroxycomponenten, hydrolyse tot 6-chloornicotinezuur en conjugaatvorming. Alle metabolieten, die in planten zijn gevonden werden ook in de geit aangetroffen.
Metabolisme en residugedrag, landbouwhuisdieren
Het metabolisme van imidacloprid is bestudeerd in kip en melkgevende geit. Kippen kregen drie opeenvolgende doses toegediend. Twee uur na de laatste dosering was reeds 33% uitgescheiden via de excreta. In de kip werd als hoogste concentraties 0,24% van het totale radioactieve residuen in eieren en 0,13% in weefsels en organen gevonden, met de hoogste concentraties in nieren. Alle metabolieten die in de kip zijn gevonden komen ook voor in de geit.
Absorptie, distributie en eliminatie verlopen snel in de geit. Binnen 50 uur werd 54% van het totale radioactieve residu uitgescheiden waarvan 34% via de urine en 11% via de faeces. 0,3% werd uitgescheiden via de melk. Het totale residu in weefsels, 2 uur na de laatste toediening, bedroeg 5%.
In vlees en vet kwam vooral de moederstof voor, terwijl in lever en nier voornamelijk metabolieten werden aangetroffen.
De 3 belangrijkste afbraakroutes zijn hydroxylering van de imidazolring gevolgd door waterafsplitsing of glucuronidering, reductie van nitrogroep en oxidatie tot een aminoguanineverbinding en opening van de imidazolidinering gevolgd door oxidatiestappen. In dier en plant komen deze 3 afbraakroutes grotendeels overeen. Ook bevatten alle metabolieten die in dieren zijn geïdentificeerd de 6-chloorpyridinylmethyleen structuur.
Omdat de hoofdroutes van het metabolisme in geit, kip en rat overeenkomen, hoeven geen gegevens met het varken geleverd te worden.
Residuanalyse
Het totaal residu van imidacloprid, bestaande uit alle
6-chloornicotinezuur opleverende metabolieten, kan zowel in plantaardige als
dierlijke monsters bepaald worden met een
GC/MS methode. De bepalingsgrens is 0,05 mg/kg equivalent imidacloprid voor
plantaardige materialen en 0,02 mg/kg equivalent imidacloprid voor dierlijke
materialen.
Residudefinitie
De definitie van het residu van imidacloprid voor
plantaardige en dierlijke producten zoals die momenteel wordt gehanteerd in
Nederland is: Alle 6-chloornicotinezuur opleverende metabolieten, uitgedrukt
als imidacloprid. Uit de recent geëvalueerde studies is geen reden gebleken
deze definitie te veranderen. De bepalinggrens voor de handhaving is 0,05 en
0,02 mg/kg equivalent imidacloprid voor respectievelijk plantaardige en
dierlijke materialen.
Monsterstabiliteit
Imidacloprid residuen zijn stabiel geacht voor minimaal 2 jaar in droge en vette matrices. Ook het speciale gewas suikerbiet is 2 jaar houdbaar. Gewasmonsters in de waterige matrices zijn stabiel gedurende 6 maanden en in zure matrices voor een periode van 9 maanden. Van een aantal ingediende studierapporten ontbreken de addenda en apendices die alsnog geleverd moeten worden.
Residuen in gewassen
Appels en peren (pitvruchten)
In de residusamenvatting uit 1999 zijn 12 proeven beoordeeld die zijn uitgevoerd met appels. Voor ADMIRE zijn er 9 studies die acceptabel zijn: 6 volgens kritische NL-GAP van ADMIRE en 3 met een overdosering maar met residugetallen overlappend met de 6 proeven volgens kritische NL-GAP. De volgende residugetallen zijn geselecteerd: 2x<0,05, 0,06, 2x0,07, 0,08, 0,09, 0,11 mg/kg. De MRL is vastgesteld op 0,2 mg/kg, de STMR op 0,07 mg/kg en het HR op 0,11 mg/kg.
Komkommer, courgette, augurk
In de residusamenvatting uit 1999 zijn 6 proeven beoordeeld uitgevoerd met komkommer met druppelirrigatie en 6 proeven uitgevoerd met plantenstaafjes. Van de proeven zijn er 10 uitgevoerd volgens de kritische NL-GAP van ADMIRE. De residuniveaus zijn gemeten gedurende 1-30 dagen. Van de hoogst gemeten residuniveaus uit deze proeven is de MRL berekend voor deze speciale toepassingmethoden. De volgende residugetallen zijn geselecteerd: 0,16; 0,18; 0,20; 0,23; 0,25; 0,31 en 2x0,39 mg/kg.
Proeven met komkommer kunnen worden geëxtrapoleerd naar courgette en augurk. De MRL is vastgesteld op 0,5 mg/kg, de STMR op 0,24 mg/kg en het HR op 0,39 mg/kg.
Tomaat
In de residusamenvatting uit 1999 zijn 6 proeven beoordeeld
uitgevoerd met tomaat met druppelirrigatie en 6 proeven uitgevoerd met
plantenstaafjes. De proeven zijn allen uitgevoerd met een 50-100% overdosering
in vergelijking met het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing van
ADMIRE indien de dosering wordt uitgedrukt in kg w.s./ha. Indien echter de
dosering wordt uitgedrukt in mg w.s./plant voldoen de proeven aan de kritische
GAP (de plantdichtheid in de residuproeven was iets hoger dan in de praktijk
verwacht mag worden). De residuniveaus zijn gemeten gedurende 1-30 dagen. Van
de hoogst gemeten residuniveaus uit deze proeven is de MRL berekend voor deze
speciale toepassingmethode. De volgende
residugetallen zijn geselecteerd: 2x0,05; 0,07; 2x0,07; 0,08; 2x0,11; 2x0,14;
0,15 en 0,16 mg/kg. Proeven met tomaat kunnen worden geëxtrapoleerd naar aubergine.
De MRL is vastgesteld op 0,3 mg/kg, de STMR op
0,08 mg/kg en het HR op 0,16 mg/kg.
Paprika en spaanse peper
In de residusamenvatting uit 1999 zijn 6 proeven samengevat uitgevoerd met paprika waarvan 4 met druppelirrigatie en 2 proeven met plantenstaafjes. De proeven zijn allen uitgevoerd volgens de kritische NL-GAP van ADMIRE. De residuniveaus zijn gemeten gedurende 1-63 dagen. Van de hoogst gemeten residuniveaus uit deze proeven is de MRL berekend voor deze speciale toepassingmethode. De volgende residugetallen zijn geselecteerd: 0,15; 0,16; 2x0,17; 0,24 en 0,27 mg/kg. Proeven met paprika kunnen sinds 2003 worden geëxtrapoleerd naar spaanse peper. De MRL is vastgesteld op 0,5 mg/kg, de STMR op 0,17 mg/kg en het HR op 0,27 mg/kg.
Aardappelen
In de residusamenvatting uit 1999 zijn 12 proeven beoordeeld
uitgevoerd met aardappelen, waarvan 8 met een grondbehandeling en 4 proeven met
een spraybehandeling. De proeven zijn allen uitgevoerd met een overdosering ten
opzichte van de kritische NL-GAP van AMIGO.
Omdat het een nul-residusituatie betreft zijn de proeven uitgevoerd met
een overdosering acceptabel. De volgende residugetallen zijn geselecteerd:
12x< 0,05 mg/kg. De MRL is vastgesteld op 0,05 mg/kg, de STMR op 0,05 mg/kg
en het HR op 0,05 mg/kg.
Maïs
Er zijn in 1994 zeven residuproeven met maïs geleverd
uitgevoerd in 2 seizoenen voor de toelating van GAUCHO ROOD. De proeven zijn
uitgevoerd met 0,7 – 1,05 kg w.s./100 kg zaad hetgeen een lichte overdosering
is ten opzichte van de kritische GAP van
0,7 kg w.s./100 kg zaad. Slechts 7 proeven en een overdosering zijn acceptabel
omdat de gemeten residuniveaus beneden de LOQ waren: 7X< 0,05 mg/kg in
maïskorrels en
< 0,1 mg/kg in de gehele plant. De MRL voor korrelmaïs is vastgesteld op
0,05 mg/kg, de STMR op 0,05 mg/kg en het HR op 0,05 mg/kg. Residuniveaus in de
gehele plant waren
< 0,1 mg/kg.
Sla
In de residusamenvatting uit 1999 zijn 2 proeven beoordeeld uitgevoerd met behandeld sla zaad volgens de kritische NL-GAP voor de toelating van GAUCHO TUINBOUW. De gemeten residuniveaus waren 2X< 0,05 mg/kg in sla. De MRL voor sla is vastgesteld op 0,05 mg/kg, de STMR op 0,05 mg/kg en het HR op 0,05 mg/kg.
Volg-/rotatiegewassen
Er zijn 3 studies geleverd waarin residuen in volggewassen zijn onderzocht. Onderzocht werd het residu in bladgewassen, wortel- en knolgewassen, peulvruchten/oliehoudende zaden en granen. De studies zijn niet onder Nederlandse (klimatologische) omstandigheden uitgevoerd. In 1 van de studies zijn de doseringen aanzienlijk lager dan de NL-GAP. In deze studie worden geen residuen in volggewassen aangetroffen. In de 2 andere studies zijn de doseringen 2 tot 3 keer zo hoog als de NL-GAP. In alle onderzochte gewasgroepen in deze studies werden residuen aangetroffen tot en met herplant 8 maanden na toepassing van imidacloprid.
De geleverde studies geven geen uitsluitsel over het voorkomen van residuen in volggewassen, bij gebruik volgens de NL-GAP. Desgevraagd laat de Keuringsdienst van Waren weten dat er geen overschrijdingen van MRL-waarden voor imidacloprid zijn geconstateerd.
Vervoedering
Alle landbouwhuisdieren worden blootgesteld aan significante hoeveelheden imidacloprid in het voer. Een vervoederingstudie in koeien laat zien dat een kleine hoeveelheid van de residuen in de melk en weefsels terechtkomt. De hoogste concentraties worden gevonden in lever en nier. Het plateau in melk is na 1 dag bereikt. De geschatte inname is het hoogst in de vleeskoe (0,58 mg/kg ds). De MRL wordt bepaald via extrapolatie met waarden uit de laagste doseringsgroep (5 mg/kg droge stof). De berekende residuen bij de geschatte inname zijn allemaal onder de bepalingsgrens. De voorgestelde MRL's voor koeienvlees op de bepalingsgrens van handhaving gelden ook voor varkensvlees. De STMR en HR worden voorgesteld op de bepalingsgrens van de analysemethode van 0,02 mg/kg equivalent imidacloprid.
Voor kip is geen vervoederingstudie geleverd. Uit de metabolismestudie van kip blijkt dat de hoogste residuen worden gevonden in de nieren. De metabolismestudie is echter met ongeveer een factor 1000 overgedoseerd. Gezien de uitzonderlijke extrapolatie met een factor 1000 vanuit de metabolismestudie, wordt er een vervoederingstudie gevraagd met kippen om er zeker van te zijn dat er geen significante residuen achterblijven in de eetbare weefsels (met name nieren) en eieren. Tot die tijd worden voorlopige MRL's voorgesteld voor pluimveevlees en eieren op de bepalingsgrens van handhaving. De voorlopige STMR en HR worden voorgesteld op de bepalingsgrens van de analysemethode van 0,02 mg/kg equivalent imidacloprid.
Processinggegevens
Er is een aantal processingfactoren bekend voor residuen van imidacloprid voor bewerkingen van appel en aardappel. Er zijn slechts enkele processingfactoren bekend op basis van de juiste residudefinitie (totaal residu). Bovendien zijn deze factoren gebaseerd op de resultaten van 1 of 2 studies. Aangezien er geen betrouwbare processinggegevens beschikbaar zijn van appels, aardappels en ook niet van suiker- en voederbieten kan er alleen een “worst-case” TMDI-berekening op basis van MRLs worden gemaakt. Gezien de lage dieetinname (TMDI tot 7,9% van de ADI) door consumenten zijn deze gegevens op dit moment niet vereist.
Afleiden MRL’s/STMR’s
Tabel T.4 MRL's, STMR's en HR's
|
Gewas/Dierlijk product |
MRL |
STMRa |
HRb |
|
Vlees slachtdieren |
0,05* |
0,02* |
0,02* |
|
Lever slachtdieren |
0,05* |
0,02* |
0,02* |
|
Nier slachtdieren |
0,05* |
0,02* |
0,02* |
|
Vet slachtdieren |
0,05* |
0,02* |
0,02* |
|
Melk |
0,05* |
0,02* |
0,02* |
|
Vlees pluimvee c |
0,05* |
0,02* |
0,02* |
|
Lever pluimvee c |
0,05* |
0,02* |
0,02* |
|
Eieren c |
0,05* |
0,02* |
0,02* |
|
Vet pluimvee c |
|
0,02* |
0,02* |
|
Tomaat, aubergine |
0,2 |
0,08 |
0,16 |
|
Cucurbitaceae, eetbare schil |
0,5 |
0,24 |
0,39 |
|
Paprika, spaanse peper |
0,5 |
0,17 |
0,27 |
|
Aardappel |
0,05 |
0,05 |
0,05 |
|
(korrel)mais |
0,05 |
0,05 |
0,05 |
|
Appel/peer (pitvruchten) |
0,2 |
0,07 |
0,11 |
a Supervised Trials Median Residue level
b Highest Residue level
c MRL’s voor pluimvee zijn voorlopig in afwachting van een vervoederingstudie
Afleiden ADI
In de chronische carcinogeniteitstudie met de rat werd een
marginale effectdosis van
5,7 mg imidacloprid/kg lg/dag vastgesteld, gebaseerd op marginale effecten op
de schildklier. De laagste NOAEL van 5
mg/kg lg/d werd gemeten in een 2-generatie reproductiestudie met de rat en de
13 weken orale studie met de hond. Gebruikmakend van een veiligheidsfactor van
100 wordt hier de ADI van 0,05 mg/kg lg/d van afgeleid.
Afleiden ARfD
De ARfD wordt afgeleid van de NOAEL van 20 mg/kg/lg/d uit de acute neurotoxstudie met de rat (7 dagen blootstelling) gebaseerd op een verminderde motor- en locomotor activteit in de naasthogere dosisgroep (42 mg/kg lg/d voor vrouwtjes en 151 mg/kg lg/d voor mannetje). Gebruik makend van een veiligheidsfactor van 100 bedraagt de ARfD 0,2 mg/kg lg/d.
Dieetberekening
Teneinde de toelaatbaarheid van de voorgestelde residutoleranties te toetsen aan de chronische innamegegevens en aan de voorgestelde ADI werden NTMDI-berekeningen uitgevoerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van Nederlandse consumptiegegevens. Zie tabel T.5 en T.6.
Tabel T.5 TMDI voor de algemene bevolking bij chronische inname
|
Product |
MRL (mg/kg) |
Inname algemene bevolking (g/dag) |
TMDI (mg/persoon/dag) |
% van ADI 3 mg/ persoon/dag |
|
Appels en peren |
0,2 |
85,2 |
0,017 |
0,57 |
|
Tomaat en aubergine |
0,3 |
27,5 |
0,0083 |
0,27 |
|
Paprika en spaanse peper |
0,5 |
4,2 |
0,0021 |
0,07 |
|
Komkommerachtigen eetbare schil |
0,5 |
10,1 |
0,0055 |
0,17 |
|
Aardappelen |
0,05 |
172,6 |
0,0086 |
0,29 |
|
Mais |
0,05 |
2,99 |
0,00015 |
< 0,01 |
|
Totaal Vlees |
0,05 |
124 |
0,0062 |
0,21 |
|
Totaal orgaanvlees |
0,05 |
1,15 |
0,000058 |
< 0,01 |
|
Totaal melk |
0,05 |
413 |
0,021 |
0,68 |
|
Totaal ei |
0,05 |
18,4 |
0,00092 |
0,03 |
|
Totaal |
|
|
|
2,31 |
Tabel T.6 TMDI voor kinderen van 1-6 jaar bij chronische inname
|
Product |
MRL (mg/kg) |
Inname kind 1-6 jaar (g/dag) |
TMDI (mg/persoon/dag) |
% van ADI (0,86 mg/kg lg/dag) |
|
Appels en peren |
0,2 |
115,6 |
0,023 |
0,10 |
|
Tomaat en aubergine |
0,3 |
10,8 |
0,0033 |
0,48 |
|
Paprika en spaanse peper |
0,5 |
0,12 |
0,00006 |
< 0,01 |
|
Komkommerachtigen eetbare schil |
0,5 |
5,1 |
0,0026 |
0,38 |
|
Aardappelen |
0,05 |
100,8 |
0,005 |
0,74 |
|
Mais |
0,05 |
2,5 |
0,00013 |
0,02 |
|
Totaal Vlees |
0,05 |
48 |
0,0024 |
0,35 |
|
Totaal orgaanvlees |
0,05 |
3,9 |
0,0002 |
0,03 |
|
Totaal melk |
0,05 |
501,3 |
0,025 |
3,69 |
|
Totaal ei |
0,05 |
10,1 |
0,0005 |
0,07 |
|
Totaal |
|
|
|
7,87 |
Teneinde de toelaatbaarheid van de voorgestelde residutoleranties te toetsen aan de acute innamegegevens en aan de voorgestelde ARfD werden NESTI-berekeningen uitgevoerd voor producten met een residu boven de LOQ. Hierbij werd gebruik gemaakt van Nederlandse en Engelse consumptiegegevens. Zie tabel T.7 en T.8.
Tabel T.7 NESTI voor de algemene bevolking bij acute inname
|
Product |
STMR (mg/kg) |
HR (mg/kg) |
Inname algemene bevolking (g/dag) |
Large portion size |
Variabi-liteit |
NESTI mg/ persoon/dag |
% ARfD (3,42 mg/persoon)) |
|
Appelen |
0,07 |
0,11 |
316,00 |
112 |
7 |
0,00173 |
0,9% |
|
Peren |
0,07 |
0,11 |
402,00 |
153 |
7 |
0,00230 |
1,2% |
|
Tomaten |
0,08 |
0,16 |
230,85 |
85 |
7 |
0,00188 |
0,9% |
|
Paprika's (pepers) |
0,17 |
0,27 |
115,08 |
160 |
7 |
0,00345 |
1,7% |
|
Aubergines |
0,08 |
0,16 |
478,11 |
444 |
5 |
0,00572 |
2,9% |
|
Komkommers |
0,24 |
0,39 |
248,00 |
360 |
5 |
0,00768 |
3,8% |
|
Augurken |
0,24 |
0,39 |
86,24 |
15 |
1 |
0,00053 |
0,3% |
|
Courgettes |
0,24 |
0,39 |
436,6 |
114 |
7 |
0,00695 |
3,5% |
Tabel T.8 NESTI voor kinderen van 1-6 jaar bij acute inname
|
Product |
STMR (mg/ |
HR (mg/ |
Inname kinderen 1-6 jaar (g/dag) |
Large portion size |
Variabi-liteit |
NESTI mg/ persoon/ dag |
% ARfD 3,42 mg/persoon |
|
Appelen |
0,07 |
0,11 |
260,00 |
112 |
7 |
0,00604 |
3,0% |
|
Peren |
0,07 |
0,11 |
213,00 |
153 |
7 |
0,00731 |
3,7% |
|
Tomaten |
0,08 |
0,16 |
76,95 |
85 |
7 |
0,00507 |
2,5% |
|
Paprika's (pepers) |
0,17 |
0,27 |
29,90 |
160 |
7 |
0,00332 |
1,7% |
|
Aubergines |
0,08 |
0,16 |
40,74 |
444 |
5 |
0,00192 |
1,0% |
|
Komkommers |
0,24 |
0,39 |
200,00 |
360 |
5 |
0,02294 |
11,5% |
|
Augurken |
0,24 |
0,39 |
49,00 |
15 |
1 |
0,00112 |
0,6% |
|
Courgettes |
0,24 |
0,39 |
39,69 |
114 |
7 |
0,00637 |
3,2% |
Conclusie
De voorlopige dieetberekeningen laten zien dat er voor chronsiche blootstelling geen risico voor de volksgezondheid wordt verwacht: slechts 2,3% en 7,9% van de ADI is opgevuld voor respectievelijk de algemene bevolking en kinderen van 1 tot 6 jaar (tabel T.5 en T.6). De voorlopige dieetberekeningen laten zien dat er voor acute blootstelling geen risico voor de volksgezondheid wordt verwacht: maximaal 3,8% en 11,5% van de ARfD is opgevuld door komkommer voor respectievelijk de algemene bevolking en kinderen van 1 tot 6 jaar (tabel T.7 en T.8). Deze berekeningen zijn echter voorlopig, omdat er overdrachtinformatie in kippen ontbreekt.
Het is niet uitgesloten dat er residuen van imidacloprid voorkomen in volg- of rotatiegewassen. Dit kán een risico voor de volksgezondheid opleveren. Echter, imidacloprid is reeds vanaf 1994 toegelaten en er zijn geen gevallen van overschrijding van de MRL bekend. De Keuringsdienst van Waren heeft dit het CTB desgevraagd medegedeeld. Een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid lijktdaarmee niet waarschijnlijk, maar moet nog wel worden aangetoond.
Teneinde uitsluitsel over het voorkomen van residuen in volggewassen na gebruik van imidacloprid volgens de NL-GAP te verkrijgen dient de toelatinghouder gegevens te leveren van residustudies in volggewassen (wortel-, blad-, graan- en koolgewassen) gezaaid/geplant 30, 120 en 365 dagen na toepassen volgens de NL-GAP (uitgevoerd volgens Appendix C van het Lundehn-document).
Er dient in ieder geval onderzoek plaats te vinden bij de maximale dosering en eventueel bij lagere doseringen, indien bij de hoge doseringen residuen in volggewassen voorkomen.
Ontbrekende gegevens voor verlenging van GAUCHO, GAUCHO ROOD, GAUCHO TUINBOUW, ADMIRE en AMIGO
· stabiliteitstudies van imidacloprid tijdens opslag:
1) de appendices van studie: Noland P.A.1992, Imidacloprid and metabolites. Freezer storage stability study in crops. Miles report No. 103237.
2) op geleverde studies zijn een aantal addenda/vervolg-rapporten verschenen, die niet zijn geleverd. Het gaat om referenties:
- Morishima, N. 1994. Supplement to report - Storage stability of NTN 33893 (imidacloprid) and its five metabolites in corn, lemon and lettuce. Report No. NR1291. Date: 11.03.1994.
- Noland, P. 1993. Imidacloprid and metabolites-freezer storage stability study in crops, Addendum 1 (six month report). Report No. 103237-1. Date: 1993-02-17.
- Noland, P. and Chickering, D.M. 1994. Imidacloprid and metabolites-freezer storage stability study in crops. Addendum 2. Report No. 103237-2. Date: 1994-03-31.
- Noland, P. and Chickering, D.M.1994b. Imidacloprid and metabolites-freezer storage stability study in crops. Report No. 103237-3. Date: 1994-11-08.
· een overdrachtstudie in kippen of een metabolismestudie bij lagere dosering waaruit blijkt dat er geen significante (>0,01 mg/kg) residuen achterblijven in weefsels en eieren na geschatte inname van imidacloprid bij Nederlands gebruik;
· studies met imidacloprid in volggewassen (in wortel-, blad-, graan- en koolgewassen), gezaaid/geplant 30, 120 en 365 dagen na toepassen volgens NL-GAP, met in ieder geval de maximale dosering (uitgevoerd volgens Appendix C van het Lundehn-document)
Profiel milieuchemie en -toxicologie
Achtergrond
Het betreft een aanvraag tot verlenging van
toelating als insecticide voor de middelen ADMIRE, GAUCHO, GAUCHO ROOD, GAUCHO
TUINBOUW en AMIGO, op basis van imidacloprid. De beoordeling is opgstesteld op
basis van RIVM-advies 09261b02
(oktober 2003). De verlenging betreft de in tabellen M.1 t/m M.5 opgenomen
teelten.
Tabel M.1 Toepassingsoverzicht ADMIRE
|
Nr. toep. |
Toepassing |
Bijzonderheden |
Dosering w.s. kg/ha] |
Freq. |
Interval [dag] |
Tijdstip |
|
1 |
appels, peren (jong gewas) |
gewasbehandeling, na de bloei, vg |
0,0700 |
2 |
7 |
mei-juli |
|
2 |
appels |
gewasbehandeling, na de bloei, vg |
0,1050 |
2 |
7 |
mei-juli |
|
3 |
peren |
gewasbehandeling, na de bloei, vg |
0,0840 |
3 |
7 |
jan-dec |
|
4 |
aubergine |
substraatteelt, og |
0,0314 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
5 |
tomaat |
substraatteelt, og |
0,0392 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
6 |
paprika |
substraatteelt, og |
0,0588 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
7 |
augurk |
substraatteelt, og |
0,0353 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
8 |
courgette |
substraatteelt, og |
0,0157 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
9 |
komkommer |
substraatteelt, og |
0,0255 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
10 |
aubergine |
substraatteelt, og |
0,1254 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
11 |
tomaat |
substraatteelt, og |
0,1568 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
12 |
paprika |
substraatteelt, og |
0,2352 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
13 |
augurk |
substraatteelt, og |
0,1411 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
14 |
courgette |
substraatteelt, og |
0,0627 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
15 |
komkommer |
substraatteelt, og |
0,1019 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
16 |
aubergine, tomaat, paprika (opkweek plantmateriaal) |
gewasbehandeling, og |
0,0700 |
1 |
0 |
jan-dec |
|
17 |
lelie (bloembollen- en bolbloementeelt) |
gewasbehandeling vg |
0,0700 |
2 |
7 |
april-sept |
|
18 |
lelie (bloembollen- en bollenteelt) |
gewasbehandeling og |
0,0700 |
2 |
7 |
jan-dec |
|
19 |
lelie (plantgoed bloem- bollenteelt en bolbloementeelt) |
dompelbehandeling |
0,3360 |
1 |
0 |
sep-okt |
|
20 |
bloemisterijgewassen overige (grondteelten) |
gewasbehandeling, og |
0,0700 |
2 |
7 |
jan-dec |
|
21 |
Bloemisterijgewassen(roos; grondteelt) |
gewasbehandeling, og |
0,0840 |
2 |
7 |
jan-dec |
|
22 |
bloemisterijgewassen |
substraatteelt, og |
0,4900 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
23 |
bloemisterijgewassen (overjarige teelt/ pot- en perkplanten, vaste-planten, snijbloemen |
gewasbehandeling vg |
0,0700 |
2 |
7 |
jan-dec |
|
24 |
bloemisterijgewassen |
substraatteelt, og |
1,9600 |
2 |
50 |
jan-dec |
|
25 |
bloemisterijgewassen (roos) |
gewasbehandeling og |
0,0840 |
3 |
7 |
hele jaar |
|
26 |
bloemisterijgewassen (overige) |
gewasbehandeling og |
0,0700 |
3 |
7 |
hele jaar |
|
27 |
boomkwekerijgewas-sen en vaste planten |
gewasbehandeling og |
0,0700 |
3 |
7 |
hele jaar |
|
28 |
boomkwekerijgewas-sen (laanbomen) |
gewasbehandeling og |
0,0840 |
3 |
7 |
april-sept |
|
29 |
boomkwekerijgewas-sen (overige) |
gewasbehandeling og |
0,0840 |
3 |
7 |
april-sept |
|
30 |
boomkwekerijgewas-sen (vaste planten) |
gewasbehandeling og |
0,0700 |
3 |
7 |
april-sept |
Tabel M.2 Toepassingsoverzicht GAUCHO
|
Nr. toep. |
Toepassing |
Bijzonderheden |
Dosering [kg w.s./ha] |
Freq. |
Interval [dag] |
Tijdstip |
||
|
1 |
suiker- en voederbieten |
zaadbehandeling |
0,09101 |
1 |
- |
voorjaar |
||
1: 30 g middel/100000 zaden; 100000 zaden/ha
Tabel M.3 Toepassingsoverzicht GAUCHO ROOD
|
Nr. toep. |
Toepassing |
Bijzonderheden |
Dosering [kg w.s./ha] |
Freq. |
Interval [dag] |
Tijdstip |
||||
|
1 |
snij- en korrelmaïs |
zaadbehandeling |
0,12041 |
1 |
- |
voorjaar |
||||
1: 86 g middel/50000 zaden; 100000 zaden/ha
Tabel M.4 Toepassingsoverzicht GAUCHO TUINBOUW
|
Nr. toep. |
Toepassing |
Bijzonderheden |
Dosering [kg w.s./ha] |
Freq. |
Interval [dag] |
Tijdstip |
|||
|
1 |
sla |
zaadbehandeling1 |
0,08052 |
1 |
- |
voorjaar |
|||
1: zaaien onder glas, uitplanten in kas of veld
2: dosering in
Collegestuk 14 juni 2002 was gebaseerd op 16 zaden/m2, informatie
RIVM is
1 g zaad/m2; 1150 g middel/kg zaad
Tabel M.5 Toepassingsoverzicht AMIGO
|
Nr. toep. |
Toepassing |
Bijzonderheden |
Dosering [kg w.s./ha] |
Freq. |
Interval [dag] |
Tijdstip |
||
|
1 |
aardappelen |
grondbehandeling tijdens poten |
0,1750 |
1 |
- |
maart-april |
||
Gedrag in grond
Omzettingssnelheid en omzettingsroute in grond
Omzettingssnelheid
Imidacloprid is slecht tot zeer slecht afbreekbaar in de bodem. Onder aërobe omstandigheden werden in laboratoriumstudies voor imidacloprid DT50-waarden waargenomen van 159 en 200 dagen (20 °C). Zie voor een overzicht van de omzettingssnelheid tabel M.6.
Tabel M.6 Overzicht omzettingssnelheid
|
Bodem |
pH |
T (°C) |
pF |
o.s. (%) |
Dosering [mg/kg] |
DT50 [dagen] |
DT50 (20°C) [dagen] |
|
Loamy sand |
6,3 |
20 |
2,5 |
3,7 |
0,33 |
159 |
159 |
|
Silt |
5,5 |
20 |
3,5 |
2,1 |
0,36 |
200 |
200 |
In een parallel experiment voor een lysimeterstudie werd een DT50 van 106 dagen (20 °C) bepaald.
Metabolieten
Bij aërobe omzetting van de werkzame stof zijn zeven metabolieten geïdentificeerd in gehalten < 2 %.
Mineralisatie en gebonden residu
Het grondgebonden residu
(pyridinyl-14C-methyleenlabel) bereikte onder aërobe omstandigheden
een maximum van 21,6 % van de begindosis na 100 dagen. De hoeveelheid 14CO2
(mineralisatie) bereikte in deze studie een maximum van 10% van de begindosis
na
100 dagen. In een andere studie bereikte de hoeveelheid grondgebonden residu
eveneens een hoeveelheid van 21,6 % van de begindosis na 100 dagen, de
hoeveelheid 14CO2 was hier 6,4 %. Zie
voor een overzicht van de uitkomsten uit de studies tabel M.7.
Tabel M.7 Gebonden residu en mineralisatie (CO2)
|
Conditie |
Grondgebonden residu na 100 dagen [%] |
CO2 na 100 dagen [%] |
Opmerkingen |
|
Aëroob |
21,6 |
10,0 |
|
|
Aëroob |
21,6 |
6,4 |
|
Fotochemische omzetting
Voor de fotochemische omzetting
van de werkzame stof op grond is een DT50-waarde van
39 dagen gevonden (geëxtrapoleerde waarde). Er werden drie metabole fracties
aangetoond, waarvan één fractie na 15 dagen maximaal 6,3 % van de toegediende
hoeveelheid van de werkzame stof uitmaakte. Deze fractie werd geïdentificeerd
als mI:
mI: 1-[(6-chloor-3-pyridinyl)methyl]-N-nitro-5-hydroxy-imidazoline-2-ylideenamine
Voor de berekening van uitspoeling en accumulatie is
uitgegaan van de volgende
DT50-waarden:
· werkzame stof: 106, 159 en 200 dagen (gemiddelde 154 dagen, minimum 106 dagen, maximum200 dagen).
Omzetting onder veldomstandigheden
Op een aantal locaties in Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje zijn veldstudies uitgevoerd. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel M.8. De eerste vijf DT50's betreffen experimenten die al eerder zijn geëvalueerd. In de toenmalige beoordeling zijn de DT50's berekend met behulp van lineaire regressie van log-getransformeerde gegevens. Wanneer de biodegradatie relatief langzaam verloopt kan dit leiden tot hogere waarden dan wanneer de niet-getransformeerde getallen in de afbraakcurve worden gebruikt. In de huidige beoordeling is daarom gebruik gemaakt van de herberekende waarden uit het RIVM Adviesrapport 09271a00, deze zijn verkregen met behulp van niet-lineaire regressie op de originele getallen.
Tabel M.8 Omzetting in veldstudies
|
Locatie |
Bodem |
pH |
o.s. [%] |
Dosering [kg w.s./ha] |
DT50 [dagen] |
|
Kirchlauter-Pettstadt (D) |
sandy loam |
6,5 |
1,4 |
0,12 |
225 |
|
Swisstal-Hohn (D) |
silty loam |
6,8 |
1,7 |
0,12 |
197 |
|
Burscheid (D) |
silty loam |
6,8 |
1,9 |
0,12 |
144 |
|
Worms-Heppenheim (D) |
loam |
7,4 |
2,7 |
0,12 |
237 |
|
Monheim (D) |
sandy loam |
6,7 |
2,2 |
0,12 |
197 |
|
Monheim (D) |
sandy loam |
6,8 |
2,2 |
0,08511 |
133 |
|
Kirchlauter-Pettstadt (D) |
sandy loam |
6,4 |
1,4 |
0,253 |
190 |
|
Swisstal-Hohn (D) |
silty loam |
7,0 |
1,0 |
0,253 |
218 |
|
Burscheid (D) |
silty loam |
6,9 |
1,1 |
0,253 |
108 |
|
Worms-Heppenheim (D) |
Loam |
7,5 |
2,7 |
0,253 |
219 |
|
Monheim (D) |
sandy loam |
6,8 |
1,3 |
0,253 |
167 |
|
Italië |
silty clay |
7,5 |
2,0 |
0,15 |
372 |
|
Frankrijk |
silty loam |
7,7 |
1,2 |
0,15 |
159 |
|
Italië |
loamy sand |
6,8 |
1,2 |
0,15 |
45 |
|
Spanje |
silty clay loam |
7,2 |
1,7 |
0,15 |
149 |
1: als behandeld zaad, 0,791 mg w.s./zaadkorrel, ca. 10 zaden/m2
De temperatuur tijdens de studies in Frankrijk, Italië en Spanje wordt niet representatief geacht voor de Nederlandse situatie. De DT50,veld voor de Nederlandse situatie wordt gebaseerd op de gegevens van de studies in Duitsland. De gemiddelde DT50,veld bedraagt 190 dagen (n = 10) op basis van de studies waar imidacloprid is toegepast in de vorm van bespuiting.
Voor de toepassing in de vorm van behandeld zaad is de DT50,veld 133 dagen.
Mobiliteit
Imidacloprid is weinig tot zeer weinig mobiel in de bodem. In schudproeven met vier grondsoorten zijn Kom-waarden gevonden van 90 tot 191 L/kg. Zie voor een overzicht van de sorptieconstantes tabel M.9.
Tabel M.9 Overzicht mobiliteit
|
Bodem |
pH |
Organische stof [%] |
Kom [L/kg] |
|
Silty clay |
7,4 |
1,1 |
191 |
|
Sandy loam |
5,2 |
2,4 |
167 |
|
Silt |
5,3 |
3,1 |
90 |
|
Sand |
5,6 |
1,3 |
162 |
In een kolomstudie met 30 dagen verouderd residu (lengte kolom 34 cm, waterlaag 51 cm) werd een Kom-waarde van 224 L/kg gevonden. In een andere studie met 30 dagen verouderd residu (lengte kolom 30 cm, waterlaag 20 cm) werden Kom-waarden van 59, 100 en 100 L/kg gevonden.
Voor de berekening van accumulatie en uitspoeling zijn de volgende Kom-waarden beschikbaar:
·
imidacloprid: 90, 162, 167, 191 L/kg (gemiddelde:
153 L/kg, minimum 90 - maximum
191 L/kg).
Ten behoeve van de aanvraag tot
toelating van het middel ADMIRE, is in maart 1997 een voorlopige rapportage
geleverd van een lysimeterstudie waarin imidacloprid is toegediend in de vorm
van behandeld bietenzaad. De concentraties imidacloprid in het jaarlijks
percolaat waren < 0,01 µg/L. Er is een standaardisatie uitgevoerd, de
gesimuleerde uitspoeling was
0,0013 µg/L. Omdat een exacte berekening van de simulatiefout niet mogelijk
was, kon geen extrapolatie naar de Nederlandse situatie worden uitgevoerd.
Gedrag in water
Omzettingssnelheid en omzettingsroute in water
Water sedimentsystemen
Imidacloprid is slecht afbreekbaar in water/sediment systemen. In aërobe water/sediment systemen zijn DT50-waarden voor de waterfase gevonden van 24 en 134 dagen bij 22 °C, dit is equivalent met 28 en 157 dagen bij 20 °C.
Voor het gehele systeem zijn DT50-waarden bepaald van 30 en 162 dagen (22 °C). Gecorrigeerd naar 20 °C bedraagt de gemiddelde DT50,systeem 113 dagen.
De hoeveelheid imidacloprid in het sediment bedroeg 10,3 en 31,9 % van de opgebrachte hoeveelheid na respectievelijk 60 en 14 dagen.
Er werden drie metabolieten gevonden, waarvan één in een hoeveelheid van 6,0 % in de waterfase en 6,3 % in het sediment. Deze metaboliet werd geïdentificeerd als metaboliet mII:
mII: 1-[(6-chloor-3-pyridinyl)methyl]-4,5-dihydro-1H-imidazol-2-amine
De overige fracties bedroegen maximaal 0,4 – 4,3 %.
Het grondgebonden residu (pyridinyl-14C-methyleenlabel) bereikte een waarde van 15,4 en 66,3 % na 92 dagen. De hoeveelheid 14CO2 bereikte 1,4 en 2,0 % na 92 dagen.
Hydrolyse
In bufferoplossingen met pH 5 en 7 werd bij 25 °C geen
hydrolyse gevonden. Bij pH 9
(25 °C) bedroeg de DT50 ca. 355 dagen (geëxtrapoleerde waarde).
Fotolyse
Imidacloprid is redelijk tot zeer goed afbreekbaar door
licht. In een fotolyse-experiment werd imidacloprid onder invloed van
kunstmatig zonlicht bij pH 7 omgezet met een DT50 van
58 minuten. In een kas bedroeg de DT50 onder invloed van zonlicht 4
uur. In een andere studie werden voor verschillende lengtegraden en seizoenen
DT50-waarden van 0,15 tot
6,12 dagen bepaald.
Bij de fotolyse van imidacloprid werden twee metabole fracties gevonden en geïdentificeerd als mII (maximum 17,5 % na 95 minuten) en mIII (maximum 9,9 % na 120 minuten).
mIII 1-[(6-chloor-3-pyridinyl)methyl]-2-oxo-imidazolidine
De niet-geïdentificeerde fractie bereikte een maximum van 13,7 % na 95 minuten.
Gedrag in lucht
Omzettingssnelheid en omzettingsroute in lucht
Imidacloprid is zeer weinig vluchtig. De dampspanning is 2,0 x 10-7 Pa bij 20 °C. Bij 20 °C is de berekende Henryconstante 4,4 x 10-11. Er zijn geen gegevens over de omzettingssnelheid en omzettingsroute in lucht.
Toxicologie
Toxiciteit voor aquatische organismen
Algen:
Imidacloprid is weinig giftig voor algen: 96-uurs EC50 > 10 mg w.s./L, NOEC ≥ 10 mg w.s./L. Zie voor een overzicht van de algentoxiciteit tabel M.10.
Tabel M.10 Overzicht algentoxiciteit
|
Teststof |
Organisme |
96-uurs NOEC [mg w.s./L] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Scenedesmus subspicatus |
≥ 10 |
groeisnelheid, biomassa |
Kreeftachtigen:
Imidacloprid is acuut weinig giftig voor kreeftachtigen: 48-uurs EC50 85,3 mg w.s./L. Zie voor een overzicht van de acute toxiciteit voor kreeftachtigen tabel M.11.
Tabel M.11 Overzicht acute toxiciteit voor kreeftachtigen
|
Teststof |
Organisme |
48-uurs EC50 [mg w.s./L] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Daphnia magna |
85,3 |
actueel |
De werkzame stof is chronisch zeer weinig giftig voor kreeftachtigen: 21-dagen NOEC 1,8 mg w.s./L. Zie voor een overzicht van de chronische toxiciteit voor kreeftachtigen tabel M.12.
Tabel M.12 Overzicht chronische toxiciteit voor kreeftachtigen
|
Teststof |
Organisme |
21-dagen NOEC [mg w.s./L] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Daphnia magna |
1,8 |
groei |
|
|
|
3,6 |
reproductie |
Vissen:
Imidacloprid is acuut zeer weinig giftig voor vissen: 96-uurs LC50 227 mg w.s./L. Zie voor een overzicht van de acute toxiciteit voor vissen tabel M.13
Tabel M.13 Overzicht acute toxiciteit voor vissen
|
Teststof |
Organisme |
96-uur LC50 [mg w.s./L] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Leuciscus idus |
266 |
actueel |
|
Imidacloprid |
Oncorhynchus mykiss |
227 |
actueel |
|
Imidacloprid |
Oncorhynchus mykiss |
> 83 |
actueel |
|
Imidacloprid |
Lepomis macrochirus |
> 105 |
actueel |
Bij de twee laatstgenoemde studies werd bij de hoogste testconcentratie (83 en 105 mg w.s./L) geen sterfte waargenomen. Voor de risicobeoordeling wordt uitgegaan van de studies waar wel sterfte optrad.
Imidacloprid is chronisch zeer weinig giftig voor vissen: ELS-NOEC: 9,8 mg w.s./L. Zie voor een overzicht van de chronische toxiciteit voor vissen tabel M.14.
Tabel M.14 Overzicht chronische toxiciteit voor vissen
|
Teststof |
Organisme |
NOEC [mg w.s./L] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Oncorhynchus mykiss |
30 |
groei |
|
Imidacloprid |
Oncorhynchus mykiss |
9,8 |
actueel; 98 dagen-ELS |
|
Imidacloprid |
Oncorhynchus mykiss |
≥ 26,9 |
actueel; 91 dagen-ELS |
Overige waterorganismen:
Geen gegevens beschikbaar.
Bioconcentratie:
Imidacloprid is weinig bioconcentrerend: op basis van de log Kow van 0,52 – 0,57 kan een BCF van 0,17 – 0,19 L/kg berekend worden.
Sedimentorganismen:
Geen gegevens beschikbaar.
Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI):
Geen gegevens beschikbaar.
Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR):
Er is geen MTRwater vastgesteld.
Toxiciteit voor terrestrische organismen
Vogels:
Imidacloprid is acuut giftig voor vogels: LD50: 31 mg/kg lichaamsgewicht (Coturnix japonica). Zie voor een overzicht van de acuut orale toxiciteit voor vogels tabel M.15.
Tabel M.15 Overzicht acuut orale toxiciteit voor vogels
|
Teststof |
Organisme |
LD50 [mg w.s./kg lich. gew.] |
|
Imidacloprid |
Coturnix japonica |
31 |
|
Imidacloprid |
Colinus virginianus |
152 |
Zie voor een overzicht van de subacuut orale toxiciteit voor vogels tabel M.16.
Tabel M.16 Overzicht subacuut orale toxiciteit voor vogels
|
Teststof |
Organisme |
LC50 [mg w.s./kg voer] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Anas platyrhynchos |
> 5000 |
No Observed Repellent Concentration is 74 – 96 mg/kg voer |
|
Imidacloprid |
Colinus virginianus |
1420 |
|
|
Imidacloprid |
Coturnix japonica |
442 |
No Observed Repellent Concentration is 144 - 146 mg/kg voer |
|
Imidacloprid |
Coturnix japonica |
345 |
Zie voor een overzicht van de semichronische orale toxiciteit voor vogels tabel M.17.
Tabel M.17 Overzicht semichronische orale toxiciteit voor vogels
|
Teststof |
Organisme |
NOEC [mg w.s./kg voer] |
NOEC [mg w.s./kg lg·d] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Colinus virginianus |
126 |
8,5 |
groei F0 |
|
|
|
≥ 243 |
17,1 (♂) |
reproductie |
|
Imidacloprid |
Anas platyrhynchos |
≥ 251 |
28,9 (♂) |
reproductie |
Zoogdieren:
De werkzame stof is acuut oraal matig giftig voor zoogdieren: LD50: 125 mg w.s./kg lichaamsgewicht (muis, ♂) en 167 mg w.s./kg lichaamsgewicht (muis, ♀).
In een 8-dagen dieetstudie bleek de formulering Confidor SL 200 subacuut oraal weinig giftig: LC50: > 2125 mg/kg voer (huismuis), overeenkomend met > 347 mg w.s./kg lichaamsgewicht/dag.
Overige studies vogels en zoogdieren:
In een acht uur durende repellency studie met oranje en blauw gekleurd bietenzaad, bleken vogels (Coturnix coturnix) weinig te eten van het met een 70 % formulering behandelde zaad. In de test waarbij 75 % van het aangeboden voedsel was behandeld, werd in beide kleurvarianten mortaliteit waargenomen. Het betrof één vogel die twee of drie zaadjes had gegeten. In de test waarbij 10 % van het aangeboden voedsel was behandeld, werd geen sterfte waargenomen als gevolg van het eten van behandeld zaad.
In een repellencytest met twee soorten (Perdix perdix en Corvus frugilegus), waarbij de vogels gedurende 24 uur werden gevoerd met uitsluitend behandeld voer (70 % formulering, 700 of 3500 mg w.s./kg voer) werd geen sterfte waargenomen. De vogels bleken weinig te eten van het behandelde voer.
In een acceptatiestudie waarin zebravinken en kanaries onbehandeld, blauw-gepilleerd suikerbietenzaad werd aangeboden, werd door geen van de vogels gegeten van het gepilleerde zaad.
In een studie waarbij vogels gedurende vier uur werden gevoerd met zaailingen uit behandeld suikerbietenzaad, werden geen effecten gevonden. Consumptie van de behandelde zaailingen, met een imidaclopridgehalte van 1,60 en 2,16 mg/kg versgewicht, was verminderd ten opzichte van de niet-behandelde zaailingen.
In een studie waarbij huismuizen gedurende 24 uur werden blootgesteld aan uitsluitend behandeld bietenzaad (GAUCHO FS 600, 0,9 mg w.s./zaad), was de consumptie in de behandeling 24 % van die in de controle. In beide groepen was de voedselinname na de blootstellingsperiode sterk verhoogd, dit duidt er op dat de dieren tijdens de blootstellingsperiode honger hebben geleden. Het aantal aangevreten zaden was hoger in de controle dan in de behandeling. Het consumptiegedrag verschilde per dier: sommige dieren knaagden de coating kapot om het zaad te verwijderen, ander dieren aten in het geheel niet.
In een veldstudie in Duitsland werden behandelde bietenzaden (GAUCHO WS 70) in rijen aan de rand van het veld gelegd. Op controlevelden werden niet-behandelde zaden uitgelegd. Aan de hand van het verdwijnen van tegelijkertijd aangeboden tarwezaad werd vastgesteld dat de velden actief bezocht werden door foeragerende vogels en zoogdieren. Waargenomen vogelsoorten waren fazant, duif, patrijs en kraai. De behandelde zaden werden minder gegeten dan de onbehandelde (totaal 37 tegen 18), terwijl het aantal aangevreten behandelde zaden (68) groter was dan het aantal onbehandelde (11). Het is mogelijk dat kleine zoogdieren de zaden aanvreten en de coating achterlaten na het verwijderen van het zaad.
In een veldstudie op acht verschillende boerenbedrijven in Nederland werd het aantal bietenzaden geteld dat na mechanisch inwerken aan de oppervlakte was achtergebleven. Het aantal zaden per m2 bedroeg 0,0002 tot 0,0656, het gemiddelde was 0,012 zaden/m2. Uitgedrukt als percentage van de zaaidichtheid komt dit overeen met 0,002-0,602 %, gemiddeld 0,109 %. Op twee van de acht velden werd geen zaaiverlies waargenomen, op de andere zes velden werden zaden gemorst aan het einde van de rijen of op de plaatsen waar de machine was bijgevuld, met aantallen van 5-260 zaden.
Bijen en hommels:
Imidacloprid
is zeer giftig voor bijen: acuut orale LD50 0,0081 µg/bij en acuut
contact
LD50 0,0037 µg/bij. Zie voor een overzicht van de acuut orale en
acuut contact toxiciteit voor bijen en hommels tabel M.18.
Tabel M.18 Overzicht acuut orale en acuut contact toxiciteit voor bijen en hommels
|
Teststof |
Organisme |
LD50 [µg w.s./bij] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Apis mellifera |
0,0037 |
contact |
|
Imidacloprid |
Apis mellifera |
0,0081 |
oraal |
In een studie met het onbekende product 240 FS (240 g w.s./L) was de sterfte in een contacttoets significant verhoogd na blootstelling aan alfalfa-bladeren die 2, 8 of 24 uur na bespuiting waren verzameld (dosering 0,187 of 1,12 kg w.s./ha). De sterfte was eveneens significant verhoogd bij bladeren die 8 of 24 uur na bespuiting met 0,05 kg w.s./ha waren verzameld.
Er zijn geen gegevens over de systemische blootstelling van bijen.
Niet-doelwit arthropoden:
Zie voor een overzicht van de reductiepercentages voor niet-doelwit arthropoden tabel M.19.
Tabel M.19 Overzicht reductiepercentages voor niet-doelwit arthropoden
|
Teststof |
Organisme |
Dosering w.s. [kg/ha] |
Reductie [%] |
Parameter |
Opmerkingen |
|
FS 350 |
Poecilus cupreus |
0,124 |
geen |
sterfte |
wintertarwezaad: 200 kg/ha, 2 mL/kg zaad |
|
GAUCHO |
Poecilus cupreus |
0,11 |
geen |
sterfte |
suikerbietenzaad: 1,4 units/ha, 75 g w.s./unit |
|
GAUCHO |
Poecilus cupreus |
0,31 |
Geen effect |
sterfte |
suikerbietenzaad: 4,2 units/ha, 75 g w.s./unit |
|
GAUCHO |
Poecilus cupreus |
2,25 |
81 |
sterfte van larven |
suikerbietenzaad:
|
|
GAUCHO WS 70 |
Poecilus cupreus |
0,061 |
geen |
|
semi-veldexperiment;
suikerbietenzaad: |
|
|
Trechus quadristriatus |
0,061 |
geen |
|
|
|
|
roofkevers, spinnen |
0,061 |
geen |
|
|
|
GAUCHO FS 600 |
Aleochara bilineata |
0,52 |
33 |
overleving en parasitatie |
maïszaad: 118 kg/ha, 4,39 g w.s./kg zaad |
|
GAUCHO FS 350 |
Aleochara bilineata |
0,146 |
geen |
|
tarwezaad: 200 kg/ha, 0,73 g w.s./kg zaad |
|
GAUCHO WS 70 |
Aleochara bilineata |
0,95 |
geen |
|
suikerbietenzaad: 10,5 units/ha, 90,6 g w.s./unit |
|
Confidor SC 200 |
Aphidius rhopalosiphi |
0,225 |
50 |
sterfte |
bespuiting van poppen in geparasiteerde luizen |
|
Confidor SC 200 |
Aphidius rhopalosiphi |
0,225 |
geen |
|
bespuiting van poppen in geparasiteerde luizen |
|
Confidor SC 200 |
Aphidius rhopalosiphi |
0,090 |
93 |
sterfte |
residu op glas |
|
Confidor SC 200 |
Coccinella septempunctata |
0,173 |
100 |
sterfte |
residu op glas |
|
Confidor WG 70 |
Typhlodromus pyri |
0,080 |
100 |
sterfte |
residu op glas |
|
Confidor WG 70 |
Typhlodromus pyri |
0,160 |
100 |
sterfte |
residu op glas |
|
Confidor WG 70 |
roofmijten |
0,100 |
+ 37,1 |
aantallen |
veld |
Er is een chronische toets met de roofmijt Hypoaspis aculeifer uitgevoerd in een loamy sand bodem, zie tabel M.20.
Tabel M.20 Overzicht chronische toxiciteit voor roofmijten
|
Teststof |
Organisme |
21-dagen NOEC [mg/kg] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Hypoaspis aculeifer |
0,171 |
4 % o.s. |
In een experiment waarin larven van de meelworm (Tenebrio molitor) werden blootgesteld aan imidacloprid (0,1 en 1,0 mg/kg broodkruim), werd geen effect gevonden op overleving en ontwikkeling van de larven.
Regenwormen:
De werkzame stof is sub-acuut matig giftig voor regenwormen: 14-dagen LC50: 10,66 mg/kg bij 10 % organische stof (Eisenia fetida). Gezien de log Kow van 0,52, wordt geen normalisatie voor het o.s.-gehalte uitgevoerd. Zie voor een overzicht van de acute toxiciteit voor regenwormen tabel M.21.
Tabel M.21 Overzicht acute toxiciteit voor regenwormen
|
Teststof |
Organisme |
14-dagen LC50 [mg/kg] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Eisenia fetida |
10,66 |
10 % o.s. |
Er zijn acute studies uitgevoerd met behandeld zaad, zie tabel M.22.
Tabel M.22 Overzicht acute toxiciteit voor regenwormen, behandeld zaad
|
Teststof |
Organisme |
14-dagen LC50 [kg w.s./ha] |
Opmerkingen |
|
FS 350 |
Eisenia fetida |
> 0,090 – > 0,360 |
suikerbietenzaad: 1, 2 en 4
units/ha, |
|
FS 350 |
Eisenia fetida |
> 0,150 – > 0,600 |
suikerbietenzaad: 1, 2 en 4 units/ha, 150 g w.s./unit; 10 % o.s. |
Er zijn subletale studies uitgevoerd met de werkzame stof, met een formulering en met behandeld zaad. Zie voor een overzicht van de subletale toxiciteit voor regenwormen tabel M.23.
Tabel M.23 Overzicht subletale toxiciteit voor regenwormen
|
Teststof |
Organisme |
56-dagen NOEC [mg w.s./kg] |
56-dagen NOEC [kg w.s./ha] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Eisenia fetida |
0,178 |
|
5 % o.s. |
|
Confidor SL 200 |
Eisenia fetida |
< 0,1791 |
< 0,125 |
bespuiting |
|
FS 350 |
Eisenia fetida |
|
≥ 0,063 |
tarwezaad: 180 kg/ha, 35 g w.s./100 kg |
1: uitgaande van 5 cm laagdikte en bulkdichtheid van 1500 kg/m3
In een veldexperiment werd na bespuiting met Confidor SC 200 in doseringen van 2 x 0,105 en 2 x 0,150 kg w.s./ha geen effect gevonden op de aantallen, biomassa en soortsdiversiteit (uitgedrukt als Shannon-Weaver-index) van regenwormen.
In
een veldexperiment met behandeld suikerbietenzaad (88,3 g/unit, zaaddichtheid
1,23 units/ha, 109 g w.s./ha) werd geen effect gevonden op de aantallen, biomassa
en soortsdiversiteit (uitgedrukt als Shannon-Weaver-index) van regenwormen.
Bodemmicro-organismen:
Zie voor een overzicht van de effectpercentage voor bodemmicro-organismen tabel M.24.
Tabel M.24 Overzicht effectpercentages voor bodemmicro-organismen
|
Teststof |
Bodem |
Dosering [mg w.s./kg] |
Proces |
% effect |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
loamy sand |
0,27 en 2,7 |
N-mineralisatie |
+ 10,5 |
geen effect na 28 dagen |
|
Imidacloprid |
silt |
0,27 en 2,7 |
N-mineralisatie |
- 8 |
|
|
Imidacloprid |
loamy sand |
0,27 en 2,7 |
nitrificatie |
n.s. |
geen effect na 28 dagen |
|
Imidacloprid |
silt |
0,27 en 2,7 |
nitrificatie |
- 5,2 |
|
|
Imidacloprid |
loamy sand |
0,27 en 2,7 |
C-mineralisatie |
+ 11,1 |
geen effect na 28 dagen |
|
Imidacloprid |
silt |
0,27 en 2,7 |
C-mineralisatie |
+ 5,4 |
|
|
Imidacloprid |
loamy sand |
0,27 en 2,7 |
respiratie |
- 7,1 |
geen effect na 28 dagen |
|
Imidacloprid |
silt |
0,27 en 2,7 |
respiratie |
+ 29,6 |
|
|
Imidacloprid |
silty sand |
0,27 en 2,7 |
acetaat mineralisatie |
geen |
slurrie toets |
Andere bodemorganismen:
Zie voor een overzicht van de toxiciteit voor springstaarten tabel M.25.
Tabel M.25 Overzicht subletale toxiciteit voor springstaarten
|
Teststof |
Organisme |
28-dagen NOEC [mg w.s./kg] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Folsomia candida |
1,25 |
10 % o.s. |
Er zijn toetsen uitgevoerd met nematoden in grond (tabel M.26) en in water.
Tabel M.26 Overzicht subletale toxiciteit voor nematoden
|
Teststof |
Organisme |
21-dagen NOEC [mg w.s./kg] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Meloidogyne incognita |
40 |
o.s. gehalte niet bekend |
In een toets met de nematode Steinernema carpocapsae in water had imidacloprid
(1,5 mg/L) geen effect op de overleving en reproductie van de dieren. Er was
geen effect op het parasitatievermogen bij een concentratie van 20 mg/L.
Zie voor een overzicht van de toetsen met bodemschimmels tabel M.27.
Tabel M.27 Overzicht chronische toxiciteit voor bodemschimmels
|
Teststof |
Organisme |
NOEC [mg w.s./kg] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Mucor circinelloides |
≥ 30 |
3 dagen; toets in agar/grondmengsel, 1,3 % o.s. |
|
Imidacloprid |
Paecelomyces marquandii |
≥ 30 |
19 dagen; toets in agar/grondmengsel, 1,3 % o.s. |
|
Imidacloprid |
Suillus granulatus |
≥ 30 |
21 dagen; toets in agar/grondmengsel, 1,3 % o.s. |
|
Imidacloprid |
Phytophtora nicotianae |
≥ 30 |
5 dagen; toets in agar/grondmengsel, 1,3 % o.s. |
Er zijn toetsen uitgevoerd met haver, raapzaad en tuinkers. Zie voor een overzicht van de toetsen met planten tabel M.28.
Tabel M.28 Overzicht toxiciteit voor planten
|
Teststof |
Organisme |
14-dagen NOEC [mg w.s./kg] |
Opmerkingen |
|
Imidacloprid |
Avena sativa |
10 |
spruitgewicht; 2 % o.s. |
|
Imidacloprid |
Brassica rapa |
≥ 100 |
spruitgewicht; 2 % o.s. |
|
Imidacloprid |
Lepidium sativum |
10 |
spruitgewicht; 2 % o.s. |
Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR):
Er is een MTRbodem vastgesteld van 0,22 mg/kg bij 10 % o.s.
Beoordeling van het risico voor het milieu
Persistentie en uitspoeling
Persistentie in de bodem
Voor de werkzame stof zijn de volgende DT50-waarden beschikbaar: 106, 159 en 200 dagen (gemiddelde: 154 dagen, range 106 - 200 dagen). De gemiddelde DT50 onder veldomstandigheden is > 90 dagen. Hiermee wordt niet voldaan aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb). Er moet worden aangetoond dat:
I. de toepassing van het bestrijdingsmiddel niet leidt tot een onaanvaardbare accumulatie van de werkzame stof en zijn metabolieten, danwel op de lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de doelsoorten én
II. de som van de concentraties waarin de werkzame stof en zijn metabolieten ontstaan, niet zodanig is dat 2 jaar na het tijdstip waarop het bestrijdingsmiddel voor het laatst is gebruikt in de bovenste 20 cm van de bodem op de plaats waar het bestrijdingsmiddel is gebruikt het MTR voor bodemorganismen en organismen die afhankelijk zijn van deze bodemorganismen wordt overschreden.
Het MTRbodem van imidacloprid is 0,22 mg/kg bij een o.s. gehalte van 10 %, gecorrigeerd naar landbouwgrond met een organische stofgehalte van 4,7 % is het MTRbodem 0,10 mg/kg.
De fractie die accumuleert in de bouwvoor is voor de verschillende combinaties van DT50 en Kom weergegeven in tabel M.29.
Tabel M.29 Berekening van de accumulatiefactor met PEARL
|
Accumulatie standaardscenario |
DT50
[d] |
Kom
[L/kg] |
Percentage accumulatie voorjaar [%] |
Percentage accumulatie najaar [%] |
|
Gemiddeld |
155 |
153 |
45,2 |
45,8 |
|
Minimum |
106 |
109 |
29,7 |
30,6 |
|
Maximum |
200 |
191 |
54,7 |
55,0 |
De concentratie in de bouwvoor twee jaar na de 10e toepassing wordt berekend op basis van het gemiddelde accumulatiepercentage en is voor de verschillende middelen weergegeven in tabel M.30. Bij de toepassing van ADMIRE in substraatteelt wordt geen emissie naar de bodem verondersteld. Bij de toepassingen als middel voor dompel-, zaad- en grondbehandeling wordt er van uitgegaan dat de totale dosering de bodem bereikt.
Tabel M.30 Concentratie in de bodem twee jaar na 10e toepassing
|
Middel |
Nr. |
Toepassing |
Dosering [kg w.s./ha] |
Freq. |
Fractie op bodem |
Concentratie in bodem |
|
ADMIRE |
1 |
appels, peren (jong gewas) |
0,0700 |
2 |
0,5 |
9,32 |
|
ADMIRE |
2 |
appels |
0,1050 |
2 |
0,2 |
5,59 |
|
ADMIRE |
3 |
peren |
0,0840 |
2 |
0,2 |
4,47 |
|
ADMIRE |
16 |
aubergine, tomaat, paprika (opkweek plantmateriaal) |
0,0700 |
1 |
0,8 |
7,45 |
|
ADMIRE |
17 |
lelie (bloembollen- en bolbloementeelt) |
0,0700 |
2 |
0,8 |
14,9 |
|
ADMIRE |
18 |
lelie (bloembollen- en bollenteelt) |
0,0700 |
2 |
0,8 |
14,9 |
|
ADMIRE |
19 |
lelie (plantgoed bloem- bollenteelt en bolbloementeelt) |
0,3360 |
1 |
1,0 |
44,7 |
|
ADMIRE |
20 |
bloemisterijgewassen overige (grondteelten) |
0,0700 |
2 |
0,8 |
14,9 |
|
ADMIRE |
21 |
bloemisterijgewassen, roos, (grondteelt) |
0,0840 |
2 |
0,8 |
17,9 |
|
ADMIRE |
23 |
bloemisterijgewassen (overjarige teelt/ pot- en perkplanten, vaste-planten, snijbloemen |
0,0700 |
2 |
0,8 |
14,9 |
|
ADMIRE |
25 |
bloemisterijgewassen (roos) |
0,0840 |
3 |
0,8 |
26,8 |
|
ADMIRE |
26 |
bloemisterijgewassen (overige) |
0,0700 |
3 |
0,8 |
22,4 |
|
ADMIRE |
27 |
boomkwekerijgewassen en vaste planten |
0,0700 |
3 |
0,8 |
22,4 |
|
ADMIRE |
28 |
boomkwekerijgewassen (laanbomen) |
0,0840 |
3 |
0,8 |
26,8 |
|
ADMIRE |
29 |
boomkwekerijgewassen (overige) |
0,0840 |
3 |
0,8 |
26,8 |
|
ADMIRE |
30 |
boomkwekerijgewassen (vaste planten) |
0,0700 |
3 |
0,8 |
22,4 |
|
GAUCHO |
1 |
suiker- en voederbieten |
0,0910 |
1 |
1 |
12,1 |
|
GAUCHO ROOD |
1 |
snij- en korrelmaïs |
0,1204 |
1 |
1 |
16,0 |
|
GAUCHO TUINBOUW |
1 |
sla |
0,0805 |
1 |
1 |
20,5 |
|
AMIGO |
1 |
aardappelen |
0,175 |
1 |
1 |
23,3 |
In
alle gevallen blijft de concentratie in de bodem twee jaar na de 10e
toepassing beneden het MTRbodem, tevens kan met voldoende zekerheid
worden uitgesloten dat na 100 dagen er meer dan 70 % grondgebonden residu van
de begindosis in combinatie met minder dan
5 % CO2 van de begindosis zal zijn gevormd. Hiermee voldoen de
toepassingen van ADMIRE, GAUCHO, GAUCHO ROOD, GAUCHO TUINBOUW en AMIGO aan de
norm voor persistentie zoals opgenomen in het Bmb.
Uitspoeling naar het ondiepe grondwater
Voor de berekening van uitspoeling en accumulatie is voor imidacloprid uitgegaan van de volgende invoergegevens:
|
PEARL: DT50 voor afbraaksnelheid in grond (bij 20 °C): · werkzame stof: 154 dagen (gemiddelde; range 106 - 200 dagen).
Kom (pH-onafhankelijk): · werkzame stof: 153 L/kg (gemiddelde; range 90 - 191 L/kg).
Verzadigde dampspanning: 2,0 x 10-7 Pa (20 °C) Oplosbaarheid in water: 0,480 g/L (20 °C) Molecuulmassa: 255,7 g/mol
Overige parameters: standaard instelling PEARL |
Op basis van de standaardberekening met het PEARL-model gelden voor imidacloprid de volgende verwachtingen voor voorjaarstoepassing:
· een concentratie in het ondiepe grondwater van 0,169 µg/L (minimum 0,003 µg/L en maximum 1,924 µg/L);
· een uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van 0,1457 % van de dosering (minimum 0,0017 % en maximum 1,9957 %);
· een
restant van 45,2 % (minimum 32,9 % en maximum 49,2 %) van de dosering in de
bouwvoor, hetgeen overeenkomt met een
gehalte van 0,1718 mg/kg (minimum
0,1249 mg/kg en maximum 0,1868 mg/kg).
Voor najaarstoepassingen worden voor imidacloprid de volgende verwachtingen berekend:
· een concentratie in het ondiepe grondwater van 0,204 µg/L (minimum 0,004 µg/L en maximum 2,215 µg/L);
· een uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van 0,1479 % van de dosering (minimum 0,0018 % en maximum 2,1128 %);
· een
restant van 45,8 % (minimum 33,1 % en maximum 50,6 %) van de dosering in de
bouwvoor, hetgeen overeenkomt met een
gehalte van 0,1739 mg/kg (minimum
0,1258 mg/kg en maximum 0,1923 mg/kg).
De uitkomsten van de berekening voor de gemiddelde uitspoeling worden gecorrigeerd voor de verschillende doseringen voor de werkzame stof bij de diverse toepassingen, zonder rekening te houden met afbraak tijdens de intervallen. Gebaseerd op deze correctie worden de volgende risico’s voor uitspoeling van de werkzame stof naar het ondiepe grondwater verwacht, zie tabel M.31.
Tabel M.31 Uitspoeling werkzame stof
|
Middel |
Nr. |
Teelt |
Dose-ring w.s. |
Freq. |
Inter-val |
Fractie op bodem |
PEC grond- water voorjaar |
PEC grond-water najaar |
|
|
|
|
[kg/ha] |
|
[dag] |
|
[µg/L] |
[µg/L] |
|
ADMIRE |
1 |
appels, peren (jong gewas) |
0,0700 |
2 |
7 |
0,5 |
0,012 |
- |
|
ADMIRE |
2 |
appels |
0,1050 |
2 |
7 |
0,2 |
0,007 |
- |
|
ADMIRE |
3 |
peren |
0,0840 |
2 |
7 |
0,2 |
0,006 |
- |
|
ADMIRE |
16 |
aubergine, tomaat, paprika (opkweek plantmateriaal) |
0,0700 |
1 |
- |
0,8 |
- |
0,011 |
|
ADMIRE |
17 |
lelie (bloembollen- en bolbloementeelt) |
0,0700 |
2 |
7 |
0,8 |
0,019 |
0,023 |
|
ADMIRE |
18 |
lelie (bloembollen- en bollenteelt) |
0,0700 |
2 |
7 |
0,8 |
- |
0,023 |
|
ADMIRE |
19 |
lelie (plantgoed bloem- bollenteelt en bolbloementeelt) |
0,3360 |
1 |
- |
1,0 |
- |
0,069 |
|
ADMIRE |
20 |
bloemisterijgewassen overige (grondteelten) |
0,0700 |
2 |
7 |
0,8 |
- |
0,023 |
|
ADMIRE |
21 |
bloemisterijgewassen, roos, (grondteelt) |
0,0840 |
2 |
7 |
0,8 |
- |
0,027 |
|
ADMIRE |
23 |
bloemisterijgewassen (overjarige teelt/ pot- en perkplanten, vaste-planten, snijbloemen |
0,0700 |
2 |
7 |
0,8 |
- |
0,023 |
|
ADMIRE |
25 |
bloemisterijgewassen (roos) |
0,0840 |
3 |
7 |
0,8 |
0,034 |
0,041 |
|
ADMIRE |
26 |
bloemisterijgewassen (overige) |
0,0700 |
3 |
7 |
0,8 |
0,028 |
0,034 |
|
ADMIRE |
27 |
boomkwekerijge-wassen en vaste planten |
0,0700 |
3 |
7 |
0,8 |
0,028 |
0,034 |
|
ADMIRE |
28 |
boomkwekerijgewas-sen (laanbomen) |
0,0840 |
3 |
7 |
0,8 |
0,034 |
0,041 |
|
ADMIRE |
29 |
boomkwekerijgewas-sen (overige) |
0,0840 |
3 |
7 |
0,8 |
0,034 |
0,041 |
|
ADMIRE |
30 |
boomkwekerijgewas-sen (vaste planten) |
0,0700 |
3 |
7 |
0,8 |
0,028 |
0,034 |
|
GAUCHO |
1 |
suiker- en voederbieten |
0,0910 |
1 |
- |
1,0 |
0,015 |
- |
|
GAUCHO ROOD |
1 |
snij- en korrelmaïs |
0,1204 |
1 |
- |
1,0 |
0,020 |
- |
|
GAUCHO TUIN-BOUW |
1 |
sla |
0,0805 |
1 |
- |
1,0 |
0,026 |
- |
|
AMIGO |
1 |
aardappelen |
0,175 |
1 |
- |
1,0 |
0,030 |
- |
Uit tabel M.31 blijkt dat de verwachte uitspoeling op grond van PEARL-modelberekeningen voor de werkzame stof voor al deze toepassingen groter is dan 0,001 µg/L.
Ten behoeve van de aanvraag tot toelating van het middel ADMIRE, is in maart 1997 een voorlopige rapportage aangeleverd van een lysimeterstudie waarin imidacloprid is toegediend in de vorm van behandeld bietenzaad. De concentraties imidacloprid in jaarlijks percolaat was < 0,01 µg/L. Er is een standaardisatie uitgevoerd, de gesimuleerde uitspoeling was 0,0013 µg/L. Omdat een exacte berekening van de simulatiefout niet mogelijk was, kon geen extrapolatie naar de Nederlandse situatie worden uitgevoerd. De lysimeter kan worden gekarakteriseerd als kwetsbaar in vergelijking met de Nederlandse bodem, en de klimatologische omstandigheden tijdens de studie waren vergelijkbaar met de Nederlandse situatie. Omdat de hoeveelheid percolaat in het eerste jaar erg klein was, was er mogelijk sprake van een toegenomen biodegradatie en een lage uitspoeling. Dit aspect is echter in de simulatie meegenomen. Overwegende dat
- de voorspelde uitspoeling voor alle toepassingen < 0,1 µg/L is
- de lysimeterstudie en bijbehorende simulatie leiden tot concentraties < 0,01 µg/L
kan met redelijke zekerheid worden geconcludeerd dat de uitspoeling van imidacloprid niet zal leiden tot concentraties > 0,1 µg/L in het bovenste grondwater.
Hiermee voldoen de toepassingen aan de norm voor uitspoeling conform het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).
Risicobeoordeling voor aquatische organismen
Risicobeoordeling voor waterorganismen
In tabel M.32 zijn voor de werkzame stof de normen voor toxiciteit waterorganismen afgeleid. De normen voor acute blootstelling zijn 0,01 maal de L(E)C50-waarde (kreeftachtigen en vissen) en 0,1 maal de laagste NOEC-waarde voor algen. Per organisme wordt de laagste waarde als norm genomen. De normen voor chronische blootstelling zijn 0,1 maal de laagste NOEC-waarde voor zowel kreeftachtigen als vissen. Per organisme wordt de laagste waarde als norm genomen.
Tabel M.32 Overzicht normen werkzame stof
|
Organisme |
Laagste |
Veiligheidsfactor |
Norm |
||
|
|
L(E)C50 [mg/L] |
NOEC [mg/L] |
|
[mg/L] |
[µg/L] |
|
Acuut |
|
|
|
|
|
|
Alg |
> 10 |
≥ 10 |
10 |
≥ 1,0 |
≥ 1000 |
|
Kreeftachtigen |
85,3 |
|
100 |
0,853 |
853 |
|
Vissen |
227 |
|
100 |
2,27 |
2270 |
|
|
|
|
|
|
|
|
Chronisch |
|
|
|
|
|
|
Kreeftachtigen |
|
1,8 |
10 |
0,18 |
180 |
|
Vissen |
|
9,8 |
10 |
0,98 |
980 |
Het risico voor waterorganismen voor de
verschillende toepassingen van imidacloprid wordt geschat met behulp van
berekeningen van de concentraties in het oppervlaktewater (sloot van
30 cm diepte) die ontstaan door overwaaien van de werkzame stof. Het
overwaaipercentage is afhankelijk van de toepassing.
Voor de volgende toepassingen van het middel ADMIRE wordt geen emissie naar het oppervlaktewater verondersteld: substraatteelt van vruchtgroenten onder glas (nummers 4 t/m 15), dompelbehandeling van bloembollen (nummer 19), substraatteelt van bloemisterijgewassen onder glas (nummer 22 en 24). Voor de toepassing van de middelen GAUCHO, GAUCHO ROOD en GAUCHO TUINBOUW als zaadbehandelingsmiddel en de toepassing van het middel AMIGO voor grondbehandeling in de aardappelteelt wordt eveneens geen emissie naar het oppervlaktewater verondersteld. De concentraties in het oppervlaktewater worden berekend met behulp van het model TOXSWA 1.2, waarbij voor imidacloprid de volgende gegevens worden ingevoerd:
|
TOXSWA: DT50 voor afbraaksnelheid in water bij 20 °C: 113 dagen
Kom voor zwevend organische stof: 153 L/kg Kom voor sediment: 153 L/kg
Verzadigde dampspanning: 2,0 x 10-7 Pa (20 °C) Oplosbaarheid in water: 480 mg/L (20 °C) Molecuulmassa: 255,7 g/mol
Overige parameters: standaard instelling TOXSWA |
Aangezien er nog geen standaard methode is om de afzonderlijke afbraaksnelheden in water en sediment uit de water/sedimentstudie te bepalen, wordt voorlopig de DT50 systeem in de waterfase ingevuld en wordt geen afbraak in het sediment verondersteld. Dit laatste wordt gesimuleerd door een DT50 – waarde van 10000 dagen in te voeren. Deze methode komt overeen met de methode zoals gebruikt in SLOOTBOX, en is als zodanig geen aanpassing van het toetsingskader.
In de tabel M.33 is voor imidacloprid per toepassingsgebied het overwaaipercentage en de berekende concentratie in het oppervlaktewater aangegeven.
Tabel M.33 Overzicht concentraties werkzame stof in oppervlaktewater (voor- en najaar) bij toepassing van ADMIRE
|
Toepas- sing |
Dose- ring w.s. |
Emis-sie |
Freq. |
Inter-val |
PIEC8 [µg/L] |
PEC218 [µg/L] |
PEC288 [µg/L] |
|||
|
nr. |
[kg/ha] |
[%] |
|
|
voorjaar |
najaar |
voorjaar |
najaar |
voorjaar |
najaar |
|
1 |
0,0700 |
7 |
2 |
7 |
4,41 |
- |
3,93 |
- |
3,60 |
- |
|
2 |
0,1050 |
7 |
2 |
7 |
6,62 |
- |
5,90 |
- |
5,40 |
- |
|
3 |
0,0840 |
7 |
2 |
7 |
5,30 |
- |
4,72 |
- |
4,32 |
- |
|
16 |
0,0700 |
0,1 |
1 |
7 |
- |
0,033 |
- |
0,005 |
- |
0,004 |
|
17 |
0,0700 |
1 |
2 |
7 |
0,631 |
0,33 |
0,56 |
0,094 |
0,515 |
0,071 |
|
18 |
0,0700 |
0,1 |
2 |
7 |
- |
0,033 |
- |
0,009 |
- |
0,007 |
|
20 |
0,0700 |
0,1 |
2 |
7 |
- |
0,033 |
- |
0,009 |
- |
0,007 |
|
21 |
0,0840 |
0,1 |
2 |
7 |
- |
0,040 |
- |
0,011 |
- |
0,009 |
|
23 |
0,0700 |
1 |
2 |
7 |
- |
0,33 |
- |
0,094 |
- |
0,071 |
|
25 |
0,0840 |
0,1 |
3 |
7 |
0,110 |
0,040 |
0,094 |
0,017 |
0,088 |
0,013 |
|
26 |
0,0700 |
0,1 |
3 |
7 |
0,091 |
0,034 |
0,078 |
0,014 |
0,073 |
0,011 |
|
27 |
0,0700 |
0,1 |
3 |
7 |
0,091 |
0,034 |
0,078 |
0,014 |
0,073 |
0,011 |
|
28 |
0,0840 |
0,1 |
3 |
7 |
0,110 |
0,040 |
0,094 |
0,017 |
0,088 |
0,013 |
|
29 |
0,0840 |
0,1 |
3 |
7 |
0,110 |
0,040 |
0,094 |
0,017 |
0,088 |
0,013 |
|
30 |
0,0700 |
0,1 |
3 |
7 |
0,091 |
0,034 |
0,078 |
0,014 |
0,073 |
0,011 |
8 Berekend volgens TOXSWA 1.2
In tabel M.34 en M.35 is aangegeven of er en zo ja, in welke mate, overschrijding plaatsvindt van de normen voor waterorganismen. De NOEC voor vissen is bepaald in een 96-daagse Early Life Stage-test. Omdat TOXSWA geen tijdgewogen gemiddelde berekent over deze periode, is voor het berekenen van het chronische risico voor vissen uitgegaan van de PEC28. Dit is een worst-case schatting.
Tabel M.34 Acute normoverschrijdingsfactoren imidacloprid: ADMIRE
|
Toepas-sing |
PIEC/(0,1*NOEC) |
PIEC/(0,01*EC50) |
PIEC/(0,01*LC50) |
|||
|
Alg |
Kreeft |
Vis |
||||
|
nummer |
Voorjaar |
najaar |
voorjaar |
Najaar |
voorjaar |
najaar |
|
1 |
0,0044 |
- |
0,0052 |
- |
0,0019 |
- |
|
2 |
0,0066 |
- |
0,0078 |
- |
0,0029 |
- |
|
3 |
0,0037 |
- |
0,0043 |
- |
0,0016 |
- |
|
16 |
- |
3,33E-05 |
- |
5,5E-07 |
- |
1,1E-06 |
|
17 |
6,31E-04 |
3,34E-04 |
7,4E-04 |
1,1E-05 |
2,8E-04 |
1,1E-05 |
|
18 |
- |
3,34E-05 |
- |
1,1E-06 |
- |
1,1E-06 |
|
20 |
- |
3,34E-05 |
- |
1,1E-06 |
- |
1,1E-06 |
|
21 |
- |
4,01E-05 |
- |
1,3E-06 |
- |
1,3E-06 |
|
23 |
- |
3,34E-04 |
- |
1,1E-05 |
- |
1,1E-05 |
|
25 |
1,10E-04 |
4,01E-05 |
1,3E-04 |
2,0E-06 |
4,8E-05 |
1,3E-06 |
|
26 |
9,13E-05 |
3,35E-05 |
1,1E-04 |
1,7E-06 |
4,0E-05 |
1,1E-06 |
|
27 |
9,13E-05 |
3,35E-05 |
1,1E-04 |
1,7E-06 |
4,0E-05 |
1,1E-06 |
|
28 |
1,10E-04 |
4,01E-05 |
1,3E-04 |
2,0E-06 |
4,8E-05 |
1,3E-06 |
|
29 |
1,10E-04 |
4,01E-05 |
1,3E-04 |
2,0E-06 |
4,8E-05 |
1,3E-06 |
|
30 |
9,13E-05 |
3,35E-05 |
1,1E-04 |
1,7E-06 |
4,0E-05 |
1,1E-06 |
Tabel M.35 Chronische normoverschrijdingsfactoren imidacloprid
|
Toepas-sing |
PEC21/(0,1*NOEC) |
PEC28/(0,1*NOEC) |
||
|
Kreeftachtige |
Vis |
|||
|
nummer |
voorjaar |
najaar |
voorjaar |
Najaar |
|
1 |
0,022 |
- |
0,0037 |
- |
|
2 |
0,033 |
- |
0,0055 |
- |
|
3 |
0,0053 |
- |
0,0062 |
- |
|
16 |
- |
2,61E-05 |
- |
3,60E-06 |
|
17 |
0,0031 |
5,22E-04 |
5,25E-04 |
7,19E-05 |
|
18 |
- |
5,22E-05 |
- |
7,19E-06 |
|
20 |
- |
5,22E-05 |
- |
7,19E-06 |
|
21 |
- |
6,26E-05 |
- |
8,63E-06 |
|
23 |
- |
5,22E-04 |
- |
7,19E-05 |
|
25 |
5,20E-04 |
9,38E-05 |
8,97E-05 |
1,29E-05 |
|
26 |
4,33E-04 |
7,81E-05 |
7,48E-05 |
1,08E-05 |
|
27 |
4,33E-04 |
7,81E-05 |
7,48E-05 |
1,08E-05 |
|
28 |
5,20E-04 |
9,38E-05 |
8,97E-05 |
1,29E-05 |
|
29 |
5,20E-04 |
9,38E-05 |
8,97E-05 |
1,29E-05 |
|
30 |
4,33E-04 |
7,81E-05 |
7,48E-05 |
1,08E-05 |
Wanneer de concentratie in het oppervlaktewater vermeld in tabel M.33 in ogenschouw wordt genomen blijkt dat voor imidacloprid alle toepassingen voldoen aan de norm voor toxiciteit voor waterorganismen zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).
Risicobeoordeling voor bioconcentratie
Voor imidacloprid is op basis van de log Kow van 0,52 – 0,57 een BCF van 0,17 – 0,19 L/kg berekend. Aangezien de BCF < 100 L/kg, is er een gering risico voor bioconcentratie. Hiermee voldoet de werkzame stof aan de normen voor bioconcentratie zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).
Risicobeoordeling voor sedimentorganismen
In de water/sediment systemen werd imidacloprid aangetroffen in hoeveelheden van > 10 % van de opgebrachte hoeveelheid na respectievelijk 60 en 14 dagen. De NOEC voor Daphnia magna is 1,8 mg w.s./L. Aanvullende toetsen met sedimentorganismen worden niet noodzakelijk geacht wanneer de NOEC voor Daphnia magna > 0,1 mg w.s./L is. Hiermee voldoen de toepassingen aan de norm voor sedimentorganismen zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).
Risicobeoordelingvoor terrestrische organismen
Risicobeoordeling voor vogels
Bij de toepassing van AMIGO voor grondbehandeling in de aardappelteelt wordt directe blootstelling van vogels uitgesloten geacht.
Bespoten voedsel en drinkwater
Blootstelling via het water wordt
mogelijk geacht voor de toepassingen van ADMIRE waarbij emissie naar het oppervlaktewater
kan optreden (tabel M.33). Blootstelling via bespoten voer wordt mogelijk
geacht bij de vollegrondstoepassingen van het middel ADMIRE (nummers 1, 2, 3,
17 en 23). De concentratie in het voer voor vogels (in mg/kg) is berekend door
middel van de relatie van Luttik (2001)[1] voor bladeren, bladerrijk gewas, voedergewassen en
kleine zaden
(25 x dosering in kg w.s./ha). Bij meerdere toepassingen worden de
concentraties opgeteld. Bij de risicoschatting is uitgegaan van een
kleine vogelsoort met een lichaamsgewicht van
10 gram, een dagelijkse voedselconsumptie (DFI) van 2,9 g/d en een dagelijkse
waterconsumptie (DWI) van 3,8 mL/d. De norm
voor vogels wordt gesteld op 0,1 maal de LD50-waarde. Met een LD50-waarde
van 31 mg/kg lichaamsgewicht, bedraagt de LD50
0,31 mg/vogel, de norm is 0,031 mg/vogel. In tabel M.36 zijn de
normoverschrijdingsfactoren voor ADMIRE weergegeven.
Tabel M.36 Overzicht concentraties in voedsel en drinkwater en normoverschrijding: ADMIRE
|
Toepas- |
PEC |
Normoverschrijding |
||
|
sing |
Water [µg/L] |
Voedsel [mg/kg] |
Water (PEC*DWI/0,1*LD50,doelsoort) |
Voedsel (PEC*DFI/0,1*LD50,doelsoort) |
|
1 |
4,41 |
3,50 |
5,36E-04 |
0,328 |
|
2 |
6,62 |
5,25 |
8,04E-04 |
0,492 |
|
3 |
5,30 |
4,20 |
6,43E-04 |
0,393 |
|
16 |
0,0333 |
- |
4,04E-06 |
- |
|
17 |
0,631 |
3,50 |
7,65E-05 |
0,323 |
|
18 |
0,0334 |
- |
4,06E-06 |
- |
|
20 |
0,0334 |
- |
4,06E-06 |
- |
|
21 |
0,0401 |
- |
4,87E-06 |
- |
|
23 |
0,334 |
3,50 |
4,06E-05 |
0,328 |
|
25 |
0,0401 |
- |
1,33E-05 |
- |
|
26 |
0,0335 |
- |
1,11E-05 |
- |
|
27 |
0,0335 |
- |
1,11E-05 |
- |
|
28 |
0,0401 |
- |
1,33E-05 |
- |
|
29 |
0,0401 |
- |
1,33E-05 |
- |
|
30 |
0,0335 |
- |
1,11E-05 |
- |
De norm voor subacute blootstelling is 0,1 maal de
LC50, op basis van de LC50 van
345 mg/kg voer bedraagt de norm 34,5 mg/kg voer. In eerste instantie wordt geen
afbraak verondersteld en wordt de PEC als hierboven berekend voor acute
blootstelling gebruikt. Bij de concentraties van 3,50 tot 5,25 mg/kg voer wordt
de norm niet overschreden en wordt voldaan aan de norm voor vogels van de
Uniforme Beginselen.
De norm voor chronische blootstelling is 0,2 maal
NOEC, op basis van de NOEC van
126 mg/kg voer is de norm 25,2 mg/kg voer. In eerste instantie wordt geen
afbraak verondersteld en wordt de PEC als hierboven berekend, voor acute
blootstelling gebruikt. Bij de concentraties van 3,50 tot 5,25 mg/kg voer wordt
de norm niet overschreden en wordt voldaan aan de norm voor vogels van de Uniforme
Beginselen.
Blootstelling via residuen in gewas
Door de systemische werking van imidacloprid zijn
residuen in het gewas aanwezig bij de toepassing als zaadbehandelingsmiddel.
Vogels kunnen worden blootgesteld aan imidacloprid door het eten van bladeren.
Hoewel ervan wordt uitgegaan dat de vogel naast bladeren ook insecten en zaden
eet, wordt toch als worst-case
benadering de blootstelling via kort gras genomen vanwege de locale
geconcentreerde toepassing. Het residu in de bladeren wordt berekend op 62 x
dosering en bedraagt 5,6 mg/kg voor bieten, 7,46 mg/kg voor maïs en 4,99 mg/kg
voor sla.Voor deze wijze van
blootstelling zijn middelgrote herbivore vogels relevant. De risicobeoordeling
wordt daarom uitgevoerd voor een middelgrote herbivoor van 300 g met een DFI
van 228 g/d[2].
Uitgaande van een LD50-waarde van 31 mg/kg lichaamsgewicht, bedraagt de LD50 voor deze vogel 9,3
mg/vogel. De acute norm voor vogels wordt gebaseerd op de norm uit de
Uniforme Beginselen (UB). Dat betekent dat de norm voor de PEC gesteld wordt op
0,1 maal de LD50-waarde, de norm
is 0,93 mg/vogel. De acute normoverschrijding bedraagt 1,3 voor suiker-
en voederbieten,
1,8 voor maïs en 1,2 voor sla.
Het is te verwachten dat de werkelijke concentratie
in het gewas anders is dan hier berekend met de factor van 62 voor bespuiting.
In een experiment met suikerbietenzaailingen werden concentraties van 1,6 en
2,16 mg/kg gemeten. Uit het statement van de aanvrager (zie onder) blijkt
echter dat ook hogere residuen van 25 mg/kg voorkomen. Dit betekent dat voor
suikerbieten de risico's groter kunnen zijn dan op basis van de hierboven
geschatte concentratie van 5,6 mg/kg. In sla zijn 72 dagen na zaaien residuen
gemeten van
< 0,05 mg/kg[3], er
zijn echter geen gegevens beschikbaar over de concentraties in het gewas direct
na uitplanten. Voor maïs zijn evenmin gegevens beschikbaar.
Uitgaande van de norm van 0,93 mg/vogel en een DFI van 228 g/d, is de concentratie waarbij de norm wordt overschreden 4,1 mg/kg voer. De hoeveelheid imidacloprid in één zaadkorrel is 0,9 mg voor suiker- en voederbieten, 1,2 mg voor maïs en 0,96 mg voor sla (dosering 1,15 kg middel/kg zaad; 835 zaden/g). Wanneer deze totale hoeveelheid imidacloprid in de bladeren van de plantjes terecht komt, wordt bij een bladgewicht lager dan 220 tot 230 g de kritische concentratie overschreden. Vogels worden dus mogelijkerwijs blootgesteld aan toxische concentraties bij het eten van kleine plantjes. Hierbij moet worden aangetekend dat de bovenstaande berekening ervan uitgaat dat de totale voedselinname op één dag uit behandelde plantjes bestaat. Dit is een worst case aanname, maar er zijn onvoldoende gegevens over de werkelijke voedselinname.
De aanvrager heeft een statement geleverd waarin
wordt ingegaan op het risico van het eten van behandelde zaailingen van
suikerbieten en koolplantjes. De aanvrager gaat uit van een Letale Dosis van 62
mg/kg lichaamsgewicht, op basis van de resultaten van een LC50
studie met de Japanse kwartel. Er wordt een worst
case concentratie in zaailingen van
20 mg w.s./kg plant materiaal aangenomen. Deze is als volgt afgeleid: in
suikerbietenzaailingen uit behandeld zaad (1,1 mg w.s./korrel) werden
concentraties van
25 mg w.s./kg gemeten. Bij een dressing rate van 0,9 mg/korrel is de
corresponderende concentratie 20 mg w.s/kg. Omdat bij andere metingen in
suikerbietenzaailingen concentraties van 1,6 en 2,16 mg/kg werden gemeten,
wordt aangenomen dat de concentratie van 20 mg w.s./kg een worst case is. Met een LD50 van 62 mg w.s./kg
lichaamsgewicht is voor een vogel van 20 g de letale dosis 1,24 mg werkzame
stof. Bij een concentratie van 20 mg w.s./kg plantmateriaal moet 62 g
plantmateriaal worden gegeten om de letale dosis te bereiken. Een 10-maal
gevoeliger soort zal 6,2 g moeten eten. Met de aanname dat 10 – 20 zaailingen
samen een gewicht van 1 g hebben, zullen er 60 tot
120 zaailingen moeten worden gegeten voordat de letale dosis is bereikt.
Daarvoor is zoveel tijd nodig, dat door de repellente effecten de letale dosis
niet zal worden bereikt. De aanvrager stelt dat de risico's van het eten van
groente kleiner zijn, omdat de concentraties in het blad door groeiverdunning
lager zijn dan bij suikerbieten.
Er kunnen de volgende opmerkingen worden gemaakt:
1. De desbetreffende LC50-studie bestond uit twee experimenten, de gegevens zijn door de auteurs samengevoegd. Dit is niet correct omdat het in feite twee verschillende studies betreft. In het tweede experiment was de dagelijkse inname lager dan in het eerste experiment, en de berekende letale dosis zou voor het tweede experiment dan ook lager uitvallen. Echter:
2. De
omrekening van de LC50 naar een letale dosis is niet correct omdat
in de desbetreffende studie sprake was van vermijdingsgedrag bij
voerconcentraties lager dan de LC50 en de consumptiegegevens voor de
hogere concentraties gebaseerd zijn op lage aantallen overlevenden. Volgens de
richtlijnen van het EU-guidance document mag in dit geval geen omrekening
worden gemaakt en moet uitgegaan worden van de LD50 van
31 mg/kg lichaamsgewicht.
3. De keuze van de doelsoort van 20 g wordt niet correct geacht. Het EU-guidance document geeft voor het beoordelen van de risico's via het eten van bladeren een middelgrote herbivoor van 300 g als doelsoort.
4.
Het is niet bekend op hoeveel metingen de hoge
waarde van 25 mg w.s./kg is gebaseerd en er is geen verklaring voor het grote
verschil met de genoemde lage residuen van
1,60 en 2,16 mg w.s./kg. Deze laatste waarden zijn afkomstig van slechts twee
monsters. De concentratie van 20 mg w.s./kg is waarschijnlijk wel
realistisch voor zaailingen van suikerbieten. Voor maïs en sla ontbreken
gegevens en de extrapolatie van gegevens voor suikerbieten naar andere gewassen
wordt niet zondermeer geaccepteerd. De stelling van de aanvrager dat de
concentraties in groente lager zijn dan in suikerbieten is niet onderbouwd door
meetgegevens. Bij gewassen die geen knol vormen, kan worden aangenomen dat de
werkzame stof voornamelijk in het blad terecht komt. De mate waarin
groeiverdunning deze hogere opname compenseert, is niet bekend.
5. De repellente eigenschappen van imidacloprid in zaailingen werden gevonden in een studie met een korte blootstellingstijd (vier uur). Uit de beschikbare LC50 studies konden No Repellent Concentrations worden afgeleid van 74 – 146 mg w.s./kg. Deze concentraties zijn hoger dan de door de aanvrager gebruikte 20 mg w.s./kg plantmateriaal. De aanvrager berekent uit de LC50 studie de concentratie waarboven vermijding plaatsvindt als 28,5 mg w.s./kg lichaamsgewicht. De omrekening naar lichaamsgewicht is om de hierboven bij punt 2 genoemde redenen echter niet betrouwbaar.
6. De aanvrager houdt in de risicobeoordeling geen rekening met een veiligheidsfactor. Omdat er een gering aantal LD50-waarden beschikbaar is en de beoordeling veel aannames bevat, wordt dit niet gerechtvaardigd geacht. Voor de doelsoort van 300 g is de norm 0,93 mg/vogel. Bij een concentratie van 20 mg w.s./kg plantmateriaal, zou een voedselinname van 46,5 g voldoende zijn om de norm te overschrijden. Dit is 20 % van de dagelijkse voedselinname en deze hoeveelheid wordt niet onrealistisch geacht.
Er zijn ook gegevens over residuen in planten beschikbaar uit plantmetabolisme studies. Er zijn studies met maïs en suikerbiet geleverd. Uit de studie met maïs blijkt dat het residu in jonge plantjes (6-7 blad stadium) 5,8 mg w.s./kg is en in het 9-blad stadium 1,5 mg w.s./kg.
Indien de doelsoort vogel uitsluitend maïs plantjes eet uit het 6-7 blad stadium bedraagt de normoverschrijding 1,42. Indien deze uitsluitend plantjes uit het 9-blad stadium eet is er geen sprake van normoverschrijding (PEC*DFI/0,1*LD50,doelsoort = 0,37).
Uit de studies met suikerbiet kan een gemiddelde waarde voor kleine plantjes (4-6 blad stadium) worden afgeleid van 9,9 mg w.s./kg. Echter bij deze studie is de dressing rate niet bekend. Indien een risicobeoordeling wordt uitgevoerd waarbij ervan wordt uitgegaan dat de doelsoort vogel uitsluitend bietenplantjes eet, is de normoverschrijding PEC*DFI/0,1*LD50,doelsoort = 2,4.
Er dient een adequate risicobeoordeling te worden uitgevoerd, waarbij in ieder geval aandacht moet worden gegeven aan de hoogte van de residuen in zaailingen van suikerbieten en maïs en de residuen in sla bij uitplanten, de keuze van de doelsoort en de mate waarin deze soort foerageert op de genoemde gewassen.
De norm voor subacute blootstelling is 0,1 maal de
LC50, op basis van de LC50 van
345 mg/kg voer bedraagt de norm 34,5 mg/kg voer. Deze concentratie wordt niet
overschreden door de berekende concentratie in het voedsel (20 mg w.s./kg voor
bietenplantjes). In afwachting van de nadere evaluatie van het acute risico
wordt de concentratie in sla- en maïsplantjes gelijk gesteld aan de
bietenplantjes. Er wordt voldaan aan de subacute norm voor vogels volgens de
Uniforme Beginselen.
De chronische norm is gebaseerd op de NOEC voor vogels van 126 mg/kg voer. De norm is 0,2 maal 126 = 25,2 mg/kg voer. Deze wordt niet overschreden door de berekende concentratie in het voedsel (20 mg w.s./kg voor bieten plantjes). Daarbij wordt geen rekening gehouden met afbraak in de plant. Voorlopig wordt ervan uitgegaan dat de concentratie in sla- en maïs plantjes niet afwijkt van bietenplantjes. Er wordt voldaan aan de chronische norm voor vogels volgens de Uniforme Beginselen.
Behandeld zaad
In tabel M.37 is een overzicht gegeven van de dosering en zaadgegevens van de middelen GAUCHO en GAUCHO ROOD.
Tabel M.37 Overzicht dosering en zaadgegevens: GAUCHO, GAUCHO ROOD
|
Middel |
Toepas-sing |
Dosering
|
Concentratie [mg w.s./korrel] |
Zaad-dichtheid |
Zaad-dichtheid [zaden/m2] |
|
GAUCHO |
suiker- en voederbie-ten |
91 g w.s./100000 z |
0,9 |
100000 z/ha |
10 |
|
GAUCHO ROOD |
snij- en korrelmaïs |
60,2 g w.s./50000 z |
1,2 |
100000 z/ha |
10 |
De keuze van de doelsoort is afhankelijk van de grootte van de zaadkorrels. De diameter van gepilleerd bietenzaad en maïszaad is ca. 4 mm. Gepilleerd bietenzaad en maïszaad wordt niet door kleine vogels gegeten, voor deze toepassingen wordt de risicobeoordeling uitgevoerd voor een patrijs van 250 g. Met een LD50 van 31 mg/kg lichaamsgewicht bedraagt de LD50 voor de patrijs 7,75 mg/vogel. In Tabel M.38 is weergegeven hoeveel korrels een vogel moet eten om een letale dosis binnen te krijgen.
Tabel M.38 Overzicht letale dosis bij eten van zaad: GAUCHO, GAUCHO ROOD
|
Toepassing |
Doelsoort |
LD50
[mg/vogel] |
Concentratie in [mg w.s./korrel] |
LD50
[aantal korrels] |
|
Suiker- en voederbieten |
patrijs |
7,75 |
0,9 |
8-9 |
|
Snij- en korrelmaïs |
patrijs |
7,75 |
1,2 |
6-7 |
Voor bieten- en maïszaad wordt het één-korrelcriterium niet overschreden. Voor maïszaad geldt dat het kan worden aangezien voor natuurlijk voedsel en wordt de hoeveelheid korrels per m2 vergeleken met het aantal korrels dat nodig is om de LD50 te bereiken. Wanneer het quotient van beide ≤ 0,1 is, wordt het risico gering geacht.
Het CTB hanteert een inwerkingspercentage van 99 %. Dit kan worden beschouwd als een realistic worst-case, uit onderzoek blijkt dat bij precizie zaaimethoden zoals gebruikt voor maïs- en bietenzaad, een inwerkingspercentage van 99,5 % wordt gehaald (De Snoo en Luttik, submitted[4]). In een veldstudie op verschillende boerenbedrijven in Nederland was het maximale aantal niet-ingewerkte suikerbietenzaden 0,07/m2, het gemiddelde inwerkingspercentage was 99,9 %.
Uitgaande van een inwerkingspercentage van 99 %, is er bij de toepassing in maïs 0,1 niet-ingewerkte zaadkorrel per m2.
Het quotiënt van het aantal korrels/m2 en de LD50 (uitgedrukt in aantal korrels) is 0,01-0,02. Bij goed landbouwkundig gebruik is het risico voor vogels gering.
Voor de beoordeling van de toepassing van GAUCHO in bietenzaad wordt aangesloten bij de risicobeoordeling zoals uitgevoerd in de eerdere beoordeling. Gepilleerd bietenzaad zal zeer waarschijnlijk niet worden aangezien voor natuurlijk voer, maar ook voor deze toepassing wordt het aantal korrels/m2 vergeleken met de LD50. Uitgaande van een inwerkingspercentage van 99 %, is er 0,1 niet-ingewerkte zaadkorrel per m2. Het quotiënt van het aantal korrels/m2 en de LD50 (uitgedrukt in aantal korrels) is 0,01.
Het kan echter niet geheel worden uitgesloten dat gepilleerd bietenzaad wordt aangezien voor grit. Er is een risico wanneer het quotiënt van de hoeveelheid werkzame stof in één korrel (A) en de LD50 ≥ 0,05, dat wil zeggen dat er een risico is wanneer de LD50 wordt overschreden bij consumptie van ≤ 20 korrels. Er zijn 8-9 korrels nodig om de LD50 te bereiken en de risicoschatting moet op basis van expert-judgement worden uitgevoerd.
- De overlap in diameters tussen gepilleerd zaad en grit van grotere zaadeters zoals de patrijs, de houtduif en de fazant (De Leeuw et al., 1995[5]) is respectievelijk 0,5%, 22% en 17%. Deze percentages komen overeen met 3, 46 en 37 korrels. Dit betekent uitgaande van een halfwaardetijd van 3 dagen van grit in de maag van een vogel, dat deze drie soorten respectievelijk minder dan 1, 8 en 6 korrels van de grootte van het gepilleerde zaad per dag zouden kunnen opnemen. Indien dit volledig uit gepilleerd zaad zou bestaan, dan krijgt elke soort minder dan zijn LD50 per dag binnen.
- Uit repellency studies blijkt dat de consumptie van behandeld zaad door een aantal soorten gering is.
Er wordt geconcludeerd dat bij goed landbouwkundig gebruik het risico voor vogels gering is. Hierbij moet worden aangetekend dat deze conclusie geldt voor de situatie dat al de gepilleerde zaden volgens goed agrarisch gebruik zijn ingewerkt en dat slechts een klein percentage gepilleerd zaad daadwerkelijk aan de oppervlakte beschikbaar is. Indien echter gemorst wordt ("spill spots") dan kunnen vogels wel degelijk genoeg gepilleerde zaden tegen komen om de letale dosis te bereiken. Uit de repellency studie met Japanse kwartels en GAUCHO pellets bleek dat deze soort ondanks de repellente eigenschappen van met GAUCHO behandeld gepilleerd bietenzaad toch een letale dosis binnen kan krijgen indien blootgesteld aan voldoende korrels (in dit geval was 3 korrels genoeg). Dat "spill spots" in Nederland kunnen voorkomen blijkt uit het onderzoek van De Leeuw et al. (1995)2: Op 35 % van de behandelde velden werden spill spots aangetroffen, het betreft meestal slechts een plek met tussen de 5 en 200 zaden per plek. Dit wordt bevestigd door de gegevens van de nieuw aangeleverde veldstudie, waarin op zes van de acht onderzochte velden 5 tot 260 zaden werden aangetroffen op de keerpunten en op de plaatsen waar de machine werd bijgevuld. Volgens het advies van R. Luttik (RIVM) van 15 mei 2000 wordt het opnemen van een restrictiezin op het etiket ten aanzien van het voorkómen van spill spots afdoende geacht.
De aanvrager heeft een uitgebreide risicobeoordeling voor vogels aangeleverd. De gevolgde methodiek en conclusies komen in grote lijnen overeen met de hierboven beschreven risicobeoordeling.
Doorvergiftiging
Gezien de log Kow van 0,52 – 0,59 wordt het risico ten gevolge van doorvergiftiging gering geacht.
Risicobeoordeling voor zoogdieren
Bij de toepassing van AMIGO voor grondbehandeling in de aardappelteelt wordt directe blootstelling van zoogdieren uitgesloten geacht.
Voedsel en drinkwater
Blootstelling via het water wordt mogelijk geacht voor de toepassingen van ADMIRE waarbij emissie naar het oppervlaktewater kan optreden (tabel M.33). Blootstelling via het voer wordt alleen mogelijk geacht bij de vollegrondstoepassingen van het middel ADMIRE (nummers 1, 2, 3, 17 en 23). De concentratie in het voer voor zoogdieren (in mg/kg) is berekend voor bladeren, bladerrijk gewas, voedergewassen en kleine zaden (25 x dosering in kg w.s./ha). Bij meerdere toepassingen worden de concentraties opgeteld. Bij de risicoschatting is uitgegaan van een klein zoogdier met een lichaamsgewicht van 6 gram, een dagelijkse voedselconsumptie (DFI) van 1,025 g/d en een dagelijkse waterconsumptie (DWI) van 1,8 mL/d. De norm voor zoogdieren wordt gesteld op 0,1 maal de LD50-waarde. Met een LD50-waarde van 125 mg/kg lichaamsgewicht, bedraagt de LD50 0,75 mg/zoogdier, de norm is 0,075 mg/zoogdier. In tabel M.39 zijn de normoverschrijdingsfactoren voor ADMIRE weergegeven.
Tabel M.39 Overzicht concentraties in voedsel en drinkwater en normoverschrijding voor zoogdieren: ADMIRE
|
Toepas- |
PEC |
Normoverschrijding |
||
|
sing |
Water [µg/L] |
Voedsel [mg/kg] |
Water (PEC*DWI/0,1*LD50,doelsoort) |
Voedsel (PEC*DFI/0,1*LD50,doelsoort) |
|
1 |
4,41 |
3,50 |
1,06E-04 |
0,048 |
|
2 |
6,62 |
5,25 |
1,59E-04 |
0,072 |
|
3 |
5,30 |
4,20 |
1,27E-04 |
0,057 |
|
16 |
0,0333 |
- |
7,99E-07 |
- |
|
17 |
0,631 |
3,50 |
1,51E-05 |
0,048 |
|
18 |
0,0334 |
- |
8,02E-07 |
- |
|
20 |
0,0334 |
- |
8,02E-07 |
- |
|
21 |
0,0401 |
- |
9,63E-07 |
- |
|
23 |
0,334 |
3,50 |
8,02E-06 |
0,048 |
|
25 |
0,0401 |
- |
2,63E-06 |
- |
|
26 |
0,0335 |
- |
2,19E-06 |
- |
|
27 |
0,0335 |
- |
2,19E-06 |
- |
|
28 |
0,0401 |
- |
2,63E-06 |
- |
|
29 |
0,0401 |
- |
2,63E-06 |
- |
|
30 |
0,0335 |
- |
2,19E-06 |
- |
De norm voor sub-acute blootstelling is 0,1 maal de
LC50, op basis van de LC50 van
> 2125 mg/kg voer is de norm > 212,5 mg/kg voer. In eerste instantie
wordt geen afbraak verondersteld en wordt de PEC als hierboven berekend voor
acute blootstelling gebruikt. Bij de concentraties van 3,50 tot 5,25 mg/kg voer
wordt de norm niet overschreden en is het risico voor zoogdieren gering.
In het collegestuk voor GAUCHO TUINBOUW (GAUCHO HORTI) van 14 juni 2002 wordt een NOAEL van 100 mg/kg voer vermeld. De norm voor chronische blootstelling is 0,2 maal NOEC, op basis van de NOAEL van 100 mg/kg voer is de norm 20 mg/kg voer. In eerste instantie wordt geen afbraak verondersteld en wordt de PEC als hierboven berekend voor acute blootstelling gebruikt. Bij de concentraties van 3,50 tot 5,25 mg/kg voer wordt de norm niet overschreden en is het risico voor zoogdieren gering.
Blootstelling via residuen in gewas
Door de systemische werking van imidacloprid zijn
residuen in het behandelde gewas aanwezig. Dit is eveneens het geval bij de
toepassing als zaadbehandelingsmiddel in suiker- en voederbieten en maïs.
Zoogdieren kunnen worden blootgesteld aan imidacloprid door het eten van
bladeren. Hoewel ervan wordt uitgegaan dat een zoogdier naast bladeren ook
insecten en zaden eet, wordt toch als worst-case
benadering de blootstelling via kort gras genomen vanwege de locale
geconcentreerde toepassing. Het residu in de bladeren wordt berekend op 62 x
dosering en bedraagt 5,6 mg/kg, 7,46 mg/kg voor maïs en 4,99 mg/kg voor sla.Voor deze wijze van blootstelling zijn
middelgrote herbivore zoogdieren relevant. De risicobeoordeling wordt daarom
uitgevoerd voor een middelgrote herbivoor van 3 kg met een DFI van 832 g/d[6]. Voor dit dier bedraagt de LD50 375
mg/zoogdier. De acute norm voor zoogdieren wordt gebaseerd op de norm
uit de Uniforme Beginselen (UB). Dat betekent dat de norm voor de PEC gesteld
wordt op 0,1 maal de LD50-waarde,
de norm is
37,5 mg/zoogdier. De acute normoverschrijding bedraagt 0,12 voor suiker-
en voederbieten, 0,17 voor maïs en 0,11 voor sla. Er wordt voldaan aan de acute
norm voor zoogdieren van de Uniforme Beginselen.
Het is echter te verwachten dat de werkelijke
concentratie in het gewas anders is dan hier berekend met de factor 62 voor
bespuiting. In sla zijn 72 dagen na zaaien (volwassen planten) residuen gemeten
van <0,05 mg/kg (zie vogels), er zijn geen gegevens beschikbaar over de
concentraties in het gewas direct na uitplanten. Uitgaande van de normdoelsoort
van
37,5 mg/zoogdier en een DFI van 832 g/d, is de concentratie waarbij de norm
wordt overschreden 45,1 mg/kg voer. De hoeveelheid imidacloprid in één
zaadkorrel is 0,9 mg voor suiker- en voederbieten, 1,2 mg voor maïs en 0,96 mg
voor sla
(dosering 1,15 kg middel/kg zaad; 835 zaden/g). Wanneer deze totale hoeveelheid
imidacloprid in de bladeren van de plantjes terecht komt, wordt bij een
bladgewicht lager dan 20 tot 27 g de kritische concentratie overschreden.
Bij een dressing rate van 0,9 mg/korrel was het imidacloprid gehalte van zaailingen van suikerbieten 1,6 en 2,16 mg/kg versgewicht.
Er zijn ook gegevens over residuen in planten beschikbaar uit plantmetabolisme studies. Er zijn studies met maïs en suikerbiet geleverd. Uit de studie met maïs blijkt dat het residu in jonge plantjes (6-7 blad stadium) 5,8 mg w.s./kg is en in het 9-blad stadium 1,5 mg w.s./kg.
Indien de doelsoort zoogdier uitsluitend maïs plantjes eet uit het 6-7 blad stadium bedraagt de normoverschrijding 0,13. Indien deze uitsluitend plantjes uit het 9-blad stadium eet is er eveneens geen sprake van normoverschrijding (PEC*DFI/0,1*LD50,doelsoort = 0,03).
Uit de studies met suikerbiet kan een gemiddelde waarde voor kleine plantjes (4-6 blad stadium) worden afgeleid van 9,9 mg w.s./kg. Echter bij deze studie is de dressing rate niet bekend. Indien een risicobeoordeling wordt uitgevoerd waarbij ervan wordt uitgegaan dat de doelsoort vogel uitsluitend bietenplantjes eet, is de normoverschrijding PEC*DFI/0,1*LD50,doelsoort = 0,22. Er wordt voldaan aan de acute norm voor zoogdieren van de Uniforme Beginselen. Hierbij moet worden aangetekend dat de risicobeoordeling zal worden aangepast wanneer uit de hierboven gevraagde adequate risicobeoordeling voor vogels blijkt dat de werkelijke residuen in de betreffende gewassen hoger zijn dan hier geschat.
De norm voor subacute blootstelling is 0,1 maal de
LC50, op basis van de LC50 van
> 2125 mg/kg voer is de norm > 212,5 mg/kg voer. Deze concentratie wordt
niet overschreden door de berekende concentratie in het voedsel (20 mg w.s./kg
voor bietenplantjes). Het is niet waarschijnlijk dat de norm wordt
overschreden, zowel bij gewasbehandeling als bij zaadbehandeling (imidacloprid
in zaailingen).
Er wordt voldaan aan de subchronische norm voor zoogdieren volgens de UB.
De chronische norm is gebaseerd op de NOAEL voor zoogdieren van 100 mg/kg voer. De norm is 0,2 maal 100 = 20 mg/kg voer. Deze wordt niet overschreden door de concentratie in het voedsel bij gewasbehandeling. Er wordt voldaan aan de chronische norm voor zoogdieren volgens de UB. Voor de zaadbehandeling (imidacloprid in zaailingen) op basis van de berekende concentratie in bietenplantjes wordt, indien geen rekening wordt gehouden met afbraak, niet voldaan aan de chronische norm (PEC=20 mg w.s./kg voer). Indien een default DT50 waarde wordt toegepast van 10 dagen wordt wel voldaan aan de norm, de PEC is dan 8,9 mg w.s./kg voer. Een dergelijke DT50 kan op grond van de resultaten uit de plantmetabolisme studies als niet onwaarschijnlijk worden ingeschat. Op basis van deze gegevens wordt voldaan aan de chronische norm voor zoogdieren. Hierbij moet worden aangetekend dat de risicobeoordeling zal worden aangepast wanneer uit de hierboven gevraagde adequate risicobeoordeling voor vogels blijkt dat de werkelijke residuen in de betreffende gewassen hoger zijn dan hier geschat.
Behandeld zaad
In tabel M.37 is een overzicht gegeven van de dosering en zaadgegevens van de middelen GAUCHO en GAUCHO ROOD.
Voor gepilleerd bietenzaad en maïszaad zijn met name
kleine zoogdieren met een gewicht vanaf ca. 20 g relevant. De risicobeoordeling
wordt uitgevoerd voor een bosmuis van 20,8 g. Uit een Engelse veldstudie blijkt
dat deze soort representatief is voor de toepassing in bieten en maïs. Met een
LD50 van 125 mg/kg lichaamsgewicht bedraagt de LD50 voor
de bosmuis
2,6 mg/zoogdier. In tabel M.40 is weergegeven hoeveel korrels een bosmuis moet
eten om een letale dosis binnen te krijgen.
Tabel M.40 Overzicht letale dosis bij eten van zaad: GAUCHO en GAUCHO ROOD
|
Toepassing |
Doelsoort |
LD50
[mg/zoogdier] |
Concentratie in [mg w.s./korrel] |
LD50
[aantal korrels] |
|
Suiker- en voederbieten |
bosmuis |
2,6 |
0,9 |
2,9 |
|
Snij- en korrelmaïs |
bosmuis |
2,6 |
1,2 |
2,2 |
Voor beide toepassingen wordt het één-korrelcriterium niet overschreden en wordt de hoeveelheid korrels per m2 vergeleken met het aantal korrels dat nodig is om de LD50 te bereiken. Wanneer het quotient van beide ≤ 0,1 is, wordt het risico gering geacht.
Het CTB hanteert een inwerkingspercentage van 99 %. Dit kan worden beschouwd als een realistic worst-case, uit onderzoek blijkt dat bij precisie zaaimethoden zoals gebruikt voor maïs- en bietenzaad, een inwerkingspercentage van 99,5 % wordt gehaald (De Snoo en Luttik, submitted[7]). In een veldstudie op verschillende boerenbedrijven in Nederland was het maximale aantal niet-ingewerkte suikerbietenzaden 0,07/m2, het gemiddelde inwerkingspercentage was 99,9 %.
Uitgaande van een inwerkingspercentage van 99 %, is
er 0,1 niet-ingewerkte zaadkorrel per m2. Het quotiënt van het
aantal korrels/m2 en de LD50 (uitgedrukt in aantal
korrels) is
0,03 – 0,05. Bij goed landbouwkundig gebruik is het risico voor zoogdieren
gering. Net als bij vogels moet ook hier worden opgemerkt dat het optreden van
"spill spots" moet worden vermeden. Een restrictiezin op het etiket
wordt afdoende geacht.
Risicobeoordeling voor bijen en hommels
Aangezien er geen nieuwe gegevens zijn, is de risicobeoordeling voor bijen overgenomen uit de Collegestukken van 23 februari 2001 betreffende ADMIRE, GAUCHO, GAUCHO ROOD en AMIGO en van 14 juni 2002 betreffende GAUCHO TUINBOUW.
Het risico voor bijen wordt berekend als D/LD50, met D=dosering in g w.s./ha. De orale LD50 voor bijen bedraagt 0,0037 µg/bij. Bij de toepassingen waarbij blootstelling van bijen in het veld kan plaatsvinden is de ratio van D/LD50 >2500. Bij toepassingen als gewasbehandelingsmiddel onder glas geldt eveneens D/LD50 >2500. Bij kooitesten waarin bijen werden blootgesteld aan bladeren met 2, 8 en 24 uur oude residuen van imidacloprid (dosering 0,05-1,12 kg w.s./ha), werd significante sterfte waargenomen.
Zaadbehandeling
In Frankrijk is een persbericht verschenen waarin wordt
gemeld dat GAUCHO bijensterfte zou kunnen veroorzaken, doordat het een
systemisch middel is dat langzaam afbreekt. Het gaat hierbij om zonnebloemen
die uit behandeld zaad groeien, waarvan de nectar nog een schadelijke hoeveelheid
imidacloprid zou bevatten. De "Commision des Toxiques" stelt dat de
risico’s die GAUCHO zou veroorzaken vooralsnog niet voldoende groot blijken om
dit middel te verbieden. De commissie wenst aanvullend onderzoek binnen een
periode van
2 jaar.
Derhalve wordt het uitvoeren van een aanvullende kooi- of veldstudie noodzakelijk geacht, waarbij tevens aandacht moet worden geschonken aan de systemische blootstelling via nectar of honingdauw.
Inmiddels is een
uitspraak gedaan door de rechter in Frankrijk (Le Conseil d’Etat)
(29 december 1999). Deze houdt in dat de toepassing van imidacloprid als
zaadbehandelingsmiddel van zaaizaden van zonnebloemen is verboden. Dit heeft
echter geen gevolgen voor de zaaizaadtoepassingen in Nederland van imidacloprid
omdat het in Nederland gewassen betreft die niet bloeien en derhalve geen
blootstelling via nectar optreedt (suiker- en voederbieten; maïs en sla).
Gewasbehandeling
Voor de vollegrond toepassingen van ADMIRE is in het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing een bijenzin opgenomen, derhalve zal er geen directe blootstelling plaatsvinden. Ook voor deze toepassingen kan, indien toepassing plaatsvindt voor de bloei, blootstelling via nectar of honingdauw plaatsvinden. Derhalve wordt het uitvoeren van een aanvullende kooi- of veldstudie noodzakelijk geacht, waarbij tevens aandacht moet worden geschonken aan de systemische blootstelling via nectar of honingdauw.
Zaadbehandeling met uitplanten
Er wordt geen risico voor bijen verwacht als gevolg van de toepassing van GAUCHO TUINBOUW in sla, maïs en suiker- en voederbieten. Sla, maïs en bieten zijn niet-bloeiende gewassen. Blootstelling van bijen aan imidacloprid kan alleen plaatsvinden via honingdauw geproduceerd door bladluizen. Aangezien de bladluizen gedood worden door imidacloprid en er dus geen honingdauw afgescheiden wordt, wordt het risico voor bijen gering geacht.
De aanvrager heeft op bovenstaande gereageerd bij bezwaarschrift d.d. 31 augustus 1999. Dit tesamen met een aantal bijlagen is geëvalueerd door de Plantenziektenkundige Dienst (advies PD d.d. 7 april 2000). Op basis van dit advies is tot de volgende beoordeling gekomen.
Suiker-en
voederbieten:
Reactie aanvrager: Betreft toepassing via zaaizaad in suikerbieten. Suikerbieten
bloeien niet en daarom is er geen blootstelling via nectar. Blootstelling via
honingdauw komt niet voor want imidacloprid doodt luizen voordat sprake is van
honingdauwafscheiding. Derhalve geen blootstelling via honingdauw. Derhalve is
er geen risico, en is een aanvullende
kooi-/veldproef zinloos.
Reactie CTB: De bovengenoemde reactie van de aanvrager dekt inderdaad alle
eventuele risico’s. Derhalve behoeft geen aanvullend onderzoek te worden
uitgevoerd en wordt voor deze toepassing voldaan aan de norm voor bijen zoals
opgenomen in de UB.
Snijmaïs en korrelmaïs:
Reactie aanvrager: Betreft toepassing via zaaizaad in maïs, dat alleen door bijen bezocht wordt voor verzameling van pollen. Derhalve geen blootstelling via nectar.
De aanvrager onderbouwt de onschadelijkheid van eventuele blootstelling via pollen met twee studies: over residuniveaus van imidacloprid in maïspollen (Bayer, 1999) en over concentratieniveau’s van imidacloprid in voeroplossingen (Kirchner,) die al dan niet tot subletale effecten leiden. Blootstelling via honingdauw komt niet voor want imidacloprid doodt luizen voordat sprake is van honingdauwafscheiding. Derhalve is er duidelijk geen risico, en is een aanvullende kooi-/veldproef zinloos.
Reactie CTB: Er kan ingestemd worden met de reactie van de aanvrager dat bij gebruik volgens het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing geen blootstelling van bijen optreedt via nectar of honingdauw. De gegevens van de aanvrager inzake de eventuele blootstelling van bijen via pollen laten zien dat de concentratie in pollen lager is dan de detectielimiet en tevens lager dan het concentratieniveau dat in voedingsoplossingen soms tot sublethale effecten leidt. Op grond hiervan wordt een gering risico voor bijen verwacht bij deze toepassing en wordt voldaan aan de norm voor bijen zoals opgenomen in de UB.
Gewasbehandelingen
In het Wettelijk Gebruiksvoorschrift is de bijenzin opgenomen. Deze zin dekt volledig het risico door directe blootstelling, maar niet door systemische blootstelling via nectar of honingdauw. De reactie van de aanvrager m.b.t. honingdauw is dat blootstelling via honingdauw niet wordt verwacht omdat imidacloprid de luizen doodt vóór honingdauw wordt afgescheiden. Met deze reactie kan worden ingestemd door het CTB.
Voor het risico van
blootstelling via de nectar geldt het volgende: Behandelingen vóór de bloei
kunnen resulteren in toxische nectar tijdens de bloei en zo nectarverzamelende
insecten doden. Dit risico dient te worden afgedekt door een verbod van
vóór-bloei toepassingen, respectievelijk door zoveel tijd tussen vóór-bloei
toepassingen en de bloei voor te schrijven dat (aannemelijk gemaakt kan worden
dat) het middel niet meer beschikbaar is via de nectar.
De aanvrager claimt dat in appels en peren het middel voor de bloei zonder
risico voor bijen tot het muizenoorstadium gebruikt kan worden. De aanvrager
heeft dit met goed opgezet en goed uitgevoerd onderzoek, in
"worst-case" omstandigheden, onderbouwd (Research Station of Gorsem,
1999; Olivero et al.). Op grond van dit onderzoek kan deze claim worden
geaccepteerd.
De aanvrager claimt verder dat voor vóór-bloeitoepassingen in boomkwekerijgewassen extrapolatie vanuit de appelgegevens mogelijk is. Dit dient echter nader onderbouwd te worden.
Voor lelies claimt de aanvrager dat het middel onschadelijk is voor bijen wanneer blootstelling wordt vermeden door in het Wettelijk Gebruiksvvorschrift het voorschrift op te nemen de bloemen voor de bloei te koppen. Hier kan het CTB mee instemmen.
Met betrekking tot bloemisterijgewassen en vaste planten claimt de aanvrager dat het middel onschadelijk is voor bijen wanneer de gewasbehandeling minimaal drie dagen vóór het in bloei gaan van het gewas moet gebeuren. Het CTB kan hiermee op dit moment niet instemmen om de volgende redenen:
(1) De firma extrapoleert rechtstreeks van Phacelia naar kruidachtige gewassen en vervolgens nog verder naar bloemisterijgewassen en vaste planten als zou een niet-behandelingsperiode van minimaal drie dagen voor de bloei voldoende zijn om schade aan bijen te voorkomen. Deze extrapolatie is al te kort door de bocht en dient tenminste beter verantwoord te worden.
(2) Het voorschrift dat "gewasbehandeling voor de bloei alleen is toegestaan minimaal drie [of willekeurig welk aantal] dagen voor het in bloei gaan van het gewas" is niet handhaafbaar. Immers, de periode tot de bloei kan vooraf alleen bij benadering worden ingeschat. Het voorschrift dient voor handhaafbaarheid op onmiddellijk controleerbare wijze te worden aangeduid, vergelijkbaar met aanduidingen als "tot het muizenoorstadium" in appel.
Conclusie
De conclusie is dat de beschreven toepassingen (met "bijenzin") aan de norm voor bijen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen voldoen, voorzover de toepassingen alleen plaats hebben ná de bloei, in niet-bloeiende gewassen of zodanig dat de bloei wordt voorkomen. De claim van de aanvrager voor vóór-bloei toepassingen is voldoende verantwoord in appel en peer, maar behoeft tenminste nadere uitwerking in boomkwekerijgewassen, bloemisterijgewassen en vaste planten.
Grondbehandeling
Reactie aanvrager: Bijen vliegen niet op aardappel, en honingdauw wordt niet gevormd omdat imidacloprid de luizen tevoren doodt. Derhalve is er geen blootstelling, geen risico, geen bijenzin nodig, en dus geen noodzaak voor aanvullende kooi-/veldproef.
Reactie CTB: het CTB kan hiermee instemmen en derhalve voldoet deze toepassing aan de norm voor bijen zoals opgenomen in de UB.
Risicobeoordeling voor niet-doelwit arthropoden
Bij toepassing van imidacloprid in substraatteelt onder glas, waarbij imidacloprid wordt meegedruppeld met de voedingsoplossing, wordt het risico voor niet-doelwitarthropoden nihil geacht. Dit betreft de toepassingen van ADMIRE met nummer 4 t/m 15, 22 en 24).
Dompelbehandeling bloembollen
Voor de toepassing als dompelvloeistof in de bloembollenteelt geldt dat blootstelling van de bodem plaatsvindt. Bij deze toepassing wordt blootstelling van bodemkruipers verwacht. Op basis van de geleverde gegevens voor bodemkruipers wordt het risico van imidacloprid voor niet-doelwit arthropoden bij gebruik als dompelvloeistof gering geacht. Weliswaar trad een effect van 33 % op bij Aleochara bilineata, maar de dosering die in deze studie is gebruikt ligt 3 tot 7 maal hoger dan de praktijkdoseringen. Gezien het feit dat het een geringe overschrijding van de norm betreft, wordt geen overschrijding verwacht bij de praktijkdoseringen. Imidacloprid heeft een systemische werking, derhalve is een risico voor bladbewonende insecten aanwezig. Voor middelen met een dergelijke specifieke werking dienen tests te worden uitgevoerd met T.pyri en 1 andere soort waarbij rekening dient te worden gehouden het meest kwetsbare ontwikkelings-stadium en de blootstellingsroute (ESCORT 2).
Zaadbehandeling en grondbehandeling
Bij deze toepassingen wordt alleen blootstelling van bodemkruipers verwacht. Op basis van de geleverde gegevens voor bodemkruipers wordt het risico van imidacloprid voor niet-doelwitarthropoden bij gebruik als zaadbehandelingsmiddel en grondbehandelingsmiddel gering geacht. Weliswaar trad een effect van 33 % op bij Aleochara bilineata, maar de dosering die in deze studie is gebruikt ligt 3 tot 7 maal hoger dan de praktijkdoseringen. Gezien het feit dat het een geringe overschrijding van de norm betreft, wordt geen overschrijding verwacht bij de praktijkdoseringen. Dit betreft de toepassing van de middelen GAUCHO, GAUCHO ROOD, GAUCHO TUINBOUW en AMIGO.
Imidacloprid heeft een systemische werking, derhalve is een risico voor bladbewonende insecten aanwezig. Voor middelen met een dergelijke specifieke werking dienen tests te worden uitgevoerd met T.pyri en 1 andere soort waarbij rekening dient te worden gehouden het meest kwetsbare ontwikkelings-stadium en de blootstellingsroute.
Gewasbehandeling
De beoordeling wordt uitgevoerd volgens de 'oude' beoordelingsmethodiek, aangezien geen gegevens van dosis-respons studies beschikbaar zijn.
Bij bespuiting van Aphidius rhopalosiphi poppen in
geparasiteerde luizen met een dosering
0,225 kg w.s./ha was er 50 % sterfte. Residuen van 0,090 kg w.s./ha op glas
veroorzaakten
93 % sterfte van adulten.
Er was 100 % sterfte van Coccinella septempunctata na
blootstelling aan residuen van
0,173 kg w.s./ha op glas.
Er was 100 % sterfte van Typhlodromus pyri na
blootstelling aan residuen van 0,080 en
0,160 kg w.s./ha op glas. In een veldexperiment in een appelboomgaard werd na
bespuiting met 0,100 kg w.s./ha geen effect op de roofmijtenpopulatie gevonden
De maximale doseringen bij gebruik als
gewasbehandelingsmiddel zijn 0,07 tot
0,105 kg w.s./ha. Bij deze doseringen is het risico voor roofmijten gering. Op
basis van de gegevens voor sluipwespen en lieveheersbeestjes, kan een risico
voor parasitoïden en bladbewonende predatoren echter niet uitgesloten worden.
Aanvullende gegevens van (semi)-veldexperimenten worden noodzakelijk geacht.
Risicobeoordeling voor regenwormen
Bij de toepassing van ADMIRE in substraatteelt wordt geen emissie naar de bodem verondersteld.
Voor de toepassingen van de middelen ADMIRE, GAUCHO TUINBOUW en AMIGO wordt gebruik gemaakt van de 14-dagen LC50 van 10,66 mg w.s./kg. Er wordt geen correctie uitgevoerd voor het organische stofgehalte omdat de log Kow 0,52-0,57 is. Bij de toepassingen van ADMIRE voor dompelbehandeling van bloembollen, van GAUCHO TUINBOUW bij uitplanten van sla en bij toepassing van AMIGO als middel voor grondbehandeling in de aardappelteelt, wordt er van uitgegaan dat de totale dosering de bodem bereikt.
Voor de toepassingen van GAUCHO en GAUCHO ROOD wordt gebruik gemaakt van de LC50 uit toetsen met behandeld suikerbietenzaad. De LC50 is > 0,600 kg w.s./ha, gebaseerd op een zaaddichtheid van 4 units/ha bij een dressing rate van 150 g w.s./unit. Deze LC50 wordt rechtstreeks vergeleken met de praktijkdosering.
Aangezien de DT90 van imidacloprid > 100 dagen is, dient subletaal onderzoek te worden uitgevoerd indien het quotiënt van PEC en LC50 tussen 0,001 en 0,1 ligt.
In tabellen M.41 t/m M.45 zijn de berekende concentraties in de bodem en de normoverschrijding weergegeven voor de verschillende middelen.
Tabel M.41 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding: ADMIRE
|
Nr. |
Toepassing |
Dose- ring w.s. |
Freq. |
Inter- val |
Fractie op bodem |
PIEC bodem |
Normoverschrijding |
|
|
|
|
[kg/ha] |
|
[dag] |
|
[mg/kg] |
PEC/ 0,001*LC50 |
PEC/ 0,1*LC50 |
|
1 |
appels, peren (jong gewas) |
0,0700 |
2 |
7 |
0,5 |
0,092 |
8,63 |
0,086 |
|
2 |
appels |
0,1050 |
2 |
7 |
0,2 |
0,055 |
5,16 |
0,052 |
|
3 |
peren |
0,0840 |
2 |
7 |
0,2 |
0,044 |
4,13 |
0,041 |
|
16 |
aubergine, tomaat, paprika (opkweek plantmateriaal) |
0,0700 |
1 |
- |
0,8 |
0,075 |
7,50 |
0,075 |
|
17 |
lelie (bloembollen- en bolbloementeelt) |
0,0700 |
2 |
7 |
0,8 |
0,147 |
13,8 |
0,138 |
|
18 |
lelie (bloembollen- en bollenteelt) |
0,0700 |
2 |
7 |
0,8 |
0,147 |
13,8 |
0,138 |
|
19 |
lelie (plantgoed bloem- bollenteelt en bolbloementeelt) |
0,3360 |
1 |
- |
1,0 |
0,448 |
42,0 |
0,420 |
|
20 |
bloemisterijgewassen overige (grondteelten) |
0,0700 |
2 |
7 |
0,8 |
0,147 |
13,8 |
0,138 |
|
21 |
bloemisterijgewassen, roos, (grondteelt) |
0,0840 |
2 |
7 |
0,8 |
0,176 |
16,5 |
0,165 |
|
23 |
bloemisterijgewassen (overjarige teelt/ pot- en perkplanten, vaste-planten, snijbloemen |
0,0700 |
2 |
7 |
0,8 |
0,147 |
13,8 |
0,138 |
|
25 |
bloemisterijgewassen (roos) |
0,0840 |
3 |
7 |
0,8 |
0,261 |
24,5 |
0,245 |
|
26 |
bloemisterijgewassen (overige) |
0,0700 |
3 |
7 |
0,8 |
0,217 |
20,4 |
0,204 |
|
27 |
boomkwekerijgewassen en vaste planten |
0,0700 |
3 |
7 |
0,8 |
0,217 |
20,4 |
0,204 |
|
28 |
boomkwekerijgewassen (laanbomen) |
0,0840 |
3 |
7 |
0,8 |
0,261 |
24,5 |
0,245 |
|
29 |
boomkwekerijgewassen (overige) |
0,0840 |
3 |
7 |
0,8 |
0,261 |
24,5 |
0,245 |
|
30 |
boomkwekerijgewassen (vaste planten) |
0,0700 |
3 |
7 |
0,8 |
0,217 |
20,4 |
0,204 |
Tabel M.42 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding: GAUCHO
|
Nr. |
Toepassing |
Dosering w.s. |
Freq. |
Normoverschrijding |
|
|
|
|
[kg/ha] |
|
PEC/ 0,001*LC50 |
PEC/ 0,1*LC50 |
|
1 |
suiker- en voederbieten |
0,0910 |
1 |
< 201 |
< 2,02 |
Tabel M.43 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding: GAUCHO ROOD
|
Nr. |
Toepassing |
Dose- ring w.s. |
Freq. |
Normoverschrijding |
|
|
|
|
[kg/ha] |
|
PEC/ 0,001*LC50 |
PEC/ 0,1*LC50 |
|
1 |
snij- en korrelmaïs |
0,1204 |
1 |
< 268 |
< 2,68 |
Tabel M.44 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding: GAUCHO TUINBOUW
|
Nr. |
Toepassing |
Dosering w.s. |
Freq. |
Fractie op bodem |
PEC bodem |
Normoverschrijding |
|
|
|
|
[kg/ha] |
|
|
[mg/kg] |
PEC/ 0,001*LC50 |
PEC/ 0,1*LC50 |
|
1 |
sla |
0,0805 |
1 |
1 |
0,107 |
10,0 |
0,10 |
Tabel M.45 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding: AMIGO
|
Nr. |
Toepassing |
Dosering w.s. |
Freq. |
Fractie op bodem |
PEC bodem |
Normoverschrijding |
|
|
|
|
[kg/ha] |
|
|
[mg/kg] |
PEC/ 0,001*LC50 |
PEC/ 0,1*LC50 |
|
1 |
aardappelen |
0,175 |
1 |
1 |
0,233 |
21,9 |
0,219 |
Uit de gegevens in bovenstaande tabellen blijkt dat bij alle toepassingen het quotiënt van PEC en LC50 > 0,001 is. Bij toepassing van GAUCHO en GAUCHO ROOD is het quotiënt van PEC en LC50 zeer waarschijnlijk ook > 0,1.
De NOEC's uit subletale toetsen met imidacloprid en
Confidor SL 200 zijn respectievelijk
0,178 mg w.s./kg en < 0,125 kg w.s./ha (overeenkomend met < 0,179 mg
w.s./kg). De norm voor subletale effecten is 0,2 maal NOEC, en bedraagt voor de
toepassingen van ADMIRE, GAUCHO TUINBOUW en AMIGO < 25 g w.s./ha. Op basis
hiervan wordt bij alle toepassingen van deze middelen een risico verwacht.
In een subletale toets met behandeld tarwezaad
werden bij een zaaddichtheid van 180 kg zaad/ha en een dressing rate van 35 g
w.s./100 kg zaad geen effecten gevonden: de NOEC was ≥ 0,063 kg w.s./ha. Met deze NOEC is de norm
voor de toepassingen van GAUCHO en GAUCHO ROOD ≥ 0,0126 kg w.s./ha. Hoewel de norm een
≥ -waarde betreft, wordt een
risico voor regenwormen waarschijnlijk geacht bij de praktijkdoseringen van
0,091 en
0,1204 kg w.s./ha.
In veldstudies waarin imidacloprid door bespuiting en als behandeld zaad werd toegediend, werd bij doseringen van 2 x 0,105 en 2 x 0,150 kg w.s./ha (bespuiting) en 0,109 kg w.s./ha (behandeld zaad; 88,3 g/unit, 1,23 units/ha) geen effect gevonden op de aantallen, biomassa en soortsdiversiteit (uitgedrukt als Shannon-Weaver-index) van regenwormen. Deze doseringen worden representatief geacht voor de praktijkdoseringen. Dit geldt ook voor de toepassing van ADMIRE bij dompelbehandeling in bloembollen (0,336 kg w.s./ha). Er mag worden aangenomen dat bij deze toepassing de werkelijke dosering die de grond bereikt lager is dan hier berekend, omdat er in de huidige berekening als worst-case er van uitgegaan is, dat de totale dosis gelijkmatig over de bovenste 5 cm wordt verdeeld.
Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het risico voor regenwormen gering is. Hiermee voldoen de toepassingen aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Risicobeoordeling voor bodemmicro-organismen
In de geteste gronden zijn bij relevante concentraties van 0,27 en 2,7 mg w.s/kg geen effecten op de nitrificatie- en respiratieprocessen waargenomen. Met het reductiepercentage < 25% na 100 dagen wordt voldaan aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Risicobeoordeling voor andere bodemorganismen
In het kader van de afleiding van het MTRbodem zijn toetsen aangeleverd voor diverse bodemorganismen. Voor deze organismen zijn binnen het huidige toetsingskader geen normen beschikbaar. Op basis van de beschikbare NOEC's en vanwege het feit dat de toepassingen niet leiden tot een overschrijding van het MTRbodem, wordt geconcludeerd dat er waarschijnlijk een gering risico is voor overige niet-doelwit bodemorganismen.
Conclusie met betrekking tot milieu
1. imidacloprid voldoet aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).
2. alle onderhavige toepassingen op basis van imidacloprid voldoen aan de normen voor uitspoeling naar het ondiepe grondwater zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).
3. alle onderhavige toepassingen op basis van imidacloprid voldoen aan de normen voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).
4. imidacloprid voldoet aan de normen voor bioconcentratie zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).
5. alle onderhavige toepassingen op basis van imidacloprid voldoen aan de norm voor sedimentorganismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
6. de toepassing van GAUCHO ROOD in maïs en GAUCHO in suiker- en voederbieten voldoen niet aan de norm voor vogels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB), in verband met de systemische werking van imidacloprid dient een nadere risico evaluatie plaats te vinden. De overige toepassingen op basis van imidacloprid voldoen aan de norm voor vogels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB). Voor GAUCHO, GAUCHO ROOD en GAUCHO TUINBOUW dient de volgende restrictiezin in het WGGA te worden opgenomen: “Om de vogels te beschermen moet u gemorst product verwijderen”.
7. alle onderhavige toepassingen op basis van imidacloprid voldoen aan de norm voor zoogdieren zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB) indien voor GAUCHO, GAUCHO ROOD en GAUCHO TUINBOUW de volgende restrictiezin in het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing wordt opgenomen: “Om de wilde zoogdieren te beschermen moet u gemorst product verwijderen”.
8. alle onderhavige toepassingen (met "bijenzin") op basis van imidacloprid voldoen aan de norm voor bijen en hommels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB), voorzover de toepassingen alleen plaats hebben ná de bloei, in niet-bloeiende gewassen of zodanig dat de bloei wordt voorkómen. De toepassing van de werkzame stof imidacloprid als zaadbehandelingsmiddel in de teelt van sla, maïs en suiker- en voederbieten behoeft geen toetsing aan de norm voor bijen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
9. de toepassingen onder glas op substraatteelt waarbij met de voedingsoplossing wordt meegedruppeld, voldoen aan de norm voor niet-doelwit arthropoden zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB). Voor de gewasbehandelingen wordt niet voldaan aan de norm voor niet-doelwitarthropoden en is verder onderzoek noodzakelijk. Het betreft (semi)-veldonderzoek naar de toxiciteit van imidacloprid voor parasitoïden (sluipwespen) en bladbewonende predatoren (lieveheersbeestjes). Voor de toepassing als zaadbehandbehandelingsmiddel dienen in verband met de systemische werking van imidacloprid tests te worden uitgevoerd met T.pyri en 1 andere soort waarbij rekening dient te worden gehouden het meest kwetsbare ontwikkelings-stadium en de blootstellingsroute.
10. alle onderhavige toepassingen op basis van imidacloprid voldoen aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen.
11. alle onderhavige toepassingen op basis van imidacloprid voldoen aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Ontbrekende gegevens voor AMIGO, ADMIRE, GAUCHO en GAUCHO ROOD
1. Voor de toepassing van GAUCHO en GAUCHO ROOD dient een adequate risicobeoordeling voor vogels te worden uitgevoerd, waarbij in ieder geval moet worden aangegeven wat de hoogte van de residuen in zaailingen is. Ook dient de keuze van de doelsoort en de mate waarin deze soort foerageert (hoe lang, hoe vaak, hoeveel) omschreven te worden.
2. Voor de toepassing van ADMIRE als gewasbehandelingsmiddel: semi-veldgegevens inzake de effecten van de werkzame stof op sluipwespen (Aphidius rhopalosiphi) en lieveheersbeestjes (Coccinella septempunctata).
3. Voor de toepassing van GAUCHO en GAUCHO ROOD en de dompel- en gewasbehandeling van ADMIRE dienen (semi-)veldgegevens voor niet-doelwit arthropoden te worden geleverd. De tests dienen uitgevoerd te worden met T.pyri en 1 andere soort waarbij rekening dient te worden gehouden met het meest kwetsbare ontwikkelingsstadium en de blootstellingsroute (volgens ESCORT 2).
Conclusie
Als voorwaarde voor de beoordeling voor de verlenging van de middelen GAUCHO, GAUCHO ROOD, AMIGO en ADMIRE dienen aanvullende vragen te worden beantwoord met betrekking tot de aspecten milieu en humane toxicologie (artikel 10, eerst lid, Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995), te weten:
1. Voor de toepassing van GAUCHO en GAUCHO ROOD dient een adequate risicobeoordeling voor vogels te worden uitgevoerd, waarbij in ieder geval moet worden aangegeven wat de hoogte van de residuen in zaailingen is. Ook dient de keuze van de doelsoort en de mate waarin deze soort foerageert (hoe lang, hoe vaak, hoeveel) omschreven te worden.
2. Voor de toepassing van ADMIRE als gewasbehandelingsmiddel: semi-veldgegevens inzake de effecten van de werkzame stof op sluipwespen (Aphidius rhopalosiphi) en lieveheersbeestjes (Coccinella septempunctata).
3. Voor de toepassing van GAUCHO en GAUCHO ROOD en de dompel- en gewasbehandeling van ADMIRE dienen (semi-)veldgegevens voor niet-doelwit arthropoden te worden geleverd. De tests dienen uitgevoerd te worden met T.pyri en 1 andere soort waarbij rekening dient te worden gehouden met het meest kwetsbare ontwikkelingsstadium en de blootstellingsroute (volgens ESCORT 2).
Humane toxicologie
4. Gegevens aangaande de middeltoxicologie van GAUCHO: acute orale toxiciteit, acute dermale toxiciteit, acute inhalatoire toxiciteit, oogirritatie, huidirritatie en huidsensibilisatie.
5. Gegevens aangaande huidsensibilisatie van ADMIRE, AMIGO en GAUCHO ROOD.
6. Een overdrachtstudie in kippen of een metabolismestudie bij lagere dosering waaruit blijkt dat er geen significante (>0,01 mg/kg) residuen achterblijven in weefsels en eieren na geschatte inname van imidacloprid bij Nederlands gebruik;
7. Studies met imidacloprid in volggewassen (in wortel-, blad-, graan- en koolgewassen), gezaaid/geplant 30, 120 en 365 dagen na toepassen volgens NL-GAP, met in ieder geval de maximale dosering (uitgevoerd volgens Appendix C van het Lundehn-document)
8. Stabiliteitstudies van imidacloprid tijdens opslag:
a) de appendices van studie: Noland P.A.1992, Imidacloprid and metabolites. Freezer storage stability study in crops. Miles report No. 103237.
b) op geleverde studies zijn een aantal addenda/vervolgrapporten verschenen, die niet zijn geleverd. Het gaat om referenties:
- Morishima, N. 1994. Supplement to report - Storage stability of NTN 33893 (imidacloprid) and its five metabolites in corn, lemon and lettuce. Report No. NR1291. Date: 11.03.1994.
- Noland, P. 1993. Imidacloprid and metabolites-freezer storage stability study in crops, Addendum 1 (six month report). Report No. 103237-1. Date: 1993-02-17.
- Noland, P. and Chickering, D.M. 1994. Imidacloprid and metabolites-freezer storage stability study in crops. Addendum 2. Report No. 103237-2. Date: 1994-03-31.
- Noland, P. and Chickering, D.M.1994b. Imidacloprid and metabolites-freezer storage stability study in crops. Report No. 103237-3. Date: 1994-11-08.
De etikettering wordt als volgt aangepast:
ADMIRE
Symbool: Xn
*Met als onderschrift: Schadelijk
R-zinnen o.b.v. SIVEB:
*zinnen conform 67/548/EEG: 22 Schadelijk bij opname door de mond
*andere noodzakelijke zinnen: -
S-zinnen o.b.v. SIVEB:
*zinnen conform 67/548/EEG: 2 Buiten bereik van kinderen bewaren
13 Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder
20/21 Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik
36/37 Draag geschikte beschermende kleding en handschoenen
*andere noodzakelijke zinnen: -
AMIGO
Symbool: Xn
*Met als onderschrift: Schadelijk
R-zinnen o.b.v. SIVEB:
*zinnen conform 67/548/EEG: 22 Schadelijk bij opname door de mond
43 Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid
*andere noodzakelijke zinnen: -
S-zinnen o.b.v. SIVEB:
*zinnen conform 67/548/EEG: 2 Buiten bereik van kinderen bewaren
13 Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder
20/21 Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik
36/37 Draag geschikte beschermende kleding en handschoenen
GAUCHO en GAUCHO ROOD
Symbool: Xn
*Met als onderschrift: Schadelijk
R-zinnen o.b.v. SIVEB:
*zinnen conform 67/548/EEG: 22 Schadelijk bij opname door de mond
*andere noodzakelijke zinnen: -
S-zinnen o.b.v. SIVEB:
*zinnen conform 67/548/EEG: 2 Buiten bereik van kinderen bewaren
13 Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder
20/21 Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik
42 Tijdens de ontsmetting/bespuiting een geschikte adembescherming dragen (juiste term(en) aan te geven door de fabrikant)
· Het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing van ADMIRE dient voor de toepassingen in de teelt van bloemisterijgewassen te worden aangepast met de restrictie dat het middel niet toegepast mag worden vóór de bloei.
· Het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing van ADMIRE dient voor de toepassingen in de teelt van lelie te worden aangepast met de zin: “met dien verstande dat bloei moet worden voorkomen”.
· Voor GAUCHO en GAUCHO ROOD dient de volgende restrictiezin te worden opgenomen “Om de vogels en wilde zoogdieren te beschermen moet u gemorst product verwijderen”. Hiermee komen de zinnen “Bovengronds morsen van het behandelde zaad ten allen tijde voorkomen. Resten van behandeld zaad nooit verspreiden of vervoederen aan dieren” te vervallen.
Teneinde de aanvrager de gelegenheid te geven bovengenoemde gegevens te genereren wordt een verlengingstermijn vastgesteld. De verlengingstermijn is gebaseerd op de termijn benodigd voor het langstdurende onderzoek. De termijn voor het langstdurende onderzoek is 24 maanden, gebaseerd op de semi-veldtest voor sluipwespen (Aphidius rhopalosiphi).
|
Leveren gegevens |
28 maanden1 |
|
Uitvoeren volledigheidstoets |
1 maand |
|
Opstellen samenvatting en risicobeoordeling |
3 maanden |
|
Opstellen Collegebesluit |
1 maand |
|
Administratief afhandelen Collegebesluit |
1 maand |
|
Totaal |
34 maanden |
1 Bij het leveren van de gegevens is er van uitgegaan dat er pas in het voorjaar van 2004 met het gevraagde onderzoek kan worden gestart.
Besluit
|
· Het College besluit de toelating van het bestrijdingsmiddel ADMIRE, op basis van imidacloprid te verlengen tot 1 november 2006, op grond van artikel 5, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, jo. artikel 7, vijfde lid, Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995, ter afronding van de besluitvorming. · In de verleende verlengingstermijn dient het volgende te geschieden: - beantwoorden van aanvullende vragen door de aanvrager - afronden van de risicobeoordeling milieu en humane toxicologie door het Collegesecretariaat. · Ten behoeve van de afronding van de besluitvorming dienen de volgende gegevens uiterlijk 1 mei 2006 te worden ingediend: Milieu · Voor de toepassing van ADMIRE als gewasbehandelingsmiddel: semi-veldgegevens inzake de effecten van de werkzame stof op sluipwespen (Aphidius rhopalosiphi) en lieveheersbeestjes (Coccinella septempunctata). · Voor de dompel- en gewasbehandeling van ADMIRE dienen (semi-)veldgegevens voor niet-doelwit arthropoden te worden geleverd. De tests dienen uitgevoerd te worden met T.pyri en 1 andere soort waarbij rekening dient te worden gehouden met het meest kwetsbare ontwikkelingsstadium en de blootstellingsroute (volgens ESCORT 2). Humane toxicologie
· Een overdrachtstudie in kippen of een metabolismestudie bij lagere dosering waaruit blijkt dat er geen significante (>0,01 mg/kg) residuen achterblijven in weefsels en eieren na geschatte inname van imidacloprid bij Nederlands gebruik; · Studies met imidacloprid in volggewassen (in wortel-, blad-, graan- en koolgewassen), gezaaid/geplant 30, 120 en 365 dagen na toepassen volgens NL-GAP, met in ieder geval de maximale dosering (uitgevoerd volgens Appendix C van het Lundehn-document) · Stabiliteitstudies van imidacloprid tijdens opslag: o de appendices van studie: Noland P.A.1992, Imidacloprid and metabolites. Freezer storage stability study in crops. Miles report No. 103237. o op geleverde studies zijn een aantal addenda/vervolgrapporten verschenen, die niet zijn geleverd. Het gaat om referenties: · Morishima, N. 1994. Supplement to report - Storage stability of NTN 33893 (imidacloprid) and its five metabolites in corn, lemon and lettuce. Report No. NR1291. Date: 11.03.1994. · Noland, P. 1993. Imidacloprid and metabolites-freezer storage stability study in crops, Addendum 1 (six month report). Report No. 103237-1. Date: 1993-02-17. · Noland, P. and Chickering, D.M. 1994. Imidacloprid and metabolites-freezer storage stability study in crops. Addendum 2. Report No. 103237-2. Date: 1994-03-31. · Noland, P. and Chickering, D.M.1994b. Imidacloprid and metabolites-freezer storage stability study in crops. Report No. 103237-3. Date: 1994-11-08. · Etikettering Symbool: Een Andreaskruis met als onderschrift: “Schadelijk” R-zinnen o.b.v. SIVEB: *zinnen conform 67/548/EEG: Schadelijk bij opname door de mond *andere noodzakelijke zinnen: - S-zinnen o.b.v. SIVEB: *zinnen conform 67/548/EEG: Buiten bereik van kinderen bewaren Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik Draag geschikte beschermende kleding en handschoenen *andere noodzakelijke zinnen: -
· Het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing van ADMIRE dient voor de toepassingen in de teelt van bloemisterijgewassen te worden aangepast met de restrictie dat het middel niet toegepast mag worden vóór de bloei · Het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing van ADMIRE dient voor de toepassingen in de teelt van lelie te worden aangepast met de zin: “met dien verstande dat bloei moet worden voorkomen”. · Indien in EU-kader vragen worden gesteld met betrekking tot de werkzame stof imidacloprid en/of het middel ADMIRE, zullen deze onverkort gelden voor de nationale beoordeling. |
HET
COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,
(voorzitter)
[1] Luttik, R. (2001) Residues of plant protection products on food ingested by birds and mammals. In: Luttik, R. and Van Raaij, M.T.M., Factsheets for the (eco)toxicological risk assessment strategy of the National Institute of Public Health and the Environment (RIVM). RIVM report 601516007, pp. 83-95.
[2] lichaamsgewicht en DFI volgens het EU Guidance Document on Risk Assessment for Birds and Mammals.
[3] RIVM-SIR Adviesrapport 09256a00
[4] De Snoo, G.H., Luttik, R. Availability of pesticide treated seed on arable fields. Submitted to Pest Management Science
[5] De Leeuw et al. (1995). Risk of granules and treated seeds to birds on arable fields. CML report 118, Centre of Environmental Science, Leiden University, Leiden, the Netherlands.
[6] lichaamsgewicht en DFI volgens het EU Guidance Document on Risk Assessment for Birds and Mammals.
[7] De Snoo, G.H., Luttik, R. Availability of pesticide treated seed on arable fields. Submitted to Pest Management Science